Veen kunstmatig in kolen omgezet in half-gesloten reactor

De hoeveelheden steenkool op aarde zijn gigantisch, groter dan welke andere fossiele energiebron ook. Alleen al onder Nederland en het Nederlands deel van het continentaal plat ligt zoveel steenkool dat de energie-inhoud daarvan groter is dan die van alle olievoorraden in het Midden-Oosten samen. Er is dan ook veel onderzoek gedaan naar de processen die van plantaardig materiaal via de tussenvormen van veen en bruinkool tot steenkool (en bij verdergaande inkoling: anthraciet) leiden.

Toch heeft dat inkolingsproces nog altijd veel geheimen. Ook al vanwege het grote economische belang proberen onderzoekers met tal van methoden die geheimen stapje voor stapje te ontraadselen. Een van die methoden is het kunstmatig laten verkolen van planten of daaruit gevormde materialen. Geologen van de University of South Carolina en de University of Southwestern Louisiana hebben in dit kader twee verschillende typen veen kunstmatig in kool omgezet in een half-gesloten reactor (International Journal of Coal Geology 34, p. 163). Van het eerste type veen (een vlak veen) onderzochten ze twee variteiten (Rhizophora en Cladium) uit de mangrovebossen van de Everglades in Florida. Het tweede, bolvormige, type veen bestond voornamelijk uit Cyrilla uit het Okefenokee-moeras in Georgia.

Het Rhizophora-veen bleek tijdens de inkoling de grootste veranderingen te vertonen: de oorspronkelijke interne bandvormige structuur die goed bewaard bleef tot een temperatuur van 60 graden en een druk van 120 kg/cm, verdween bijna geheel bij 175 graden en 290 kg/cm. Bij het Cladium-veen bleek de structuur veel beter bewaard te blijven, al ontstonden er wel in diverse richtingen talloze barstjes die een soort pseudo-gelaagdheid veroorzaakten. Het Cyrilla-veen vertoonde een veel minder duidelijke ontwikkeling bij voortschrijdende inkoling.

Deze resultaten komen redelijk goed overeen met wat men aan karakteristieken vindt in steenkoolsoorten waarvan men de oorspronkelijke aard goed met die van de hier onderzochte venen kan vergelijken. Dat lijkt aan te geven dat de door de onderzoekers gehanteerde wijze van inkoling een redelijk goede (maar uiteraard sterk versnelde) weergave vormt van het natuurlijke inkolingsproces. Daarop wijst ook de samenstelling van de kunstmatig verkoolde venen: zowel chemisch als wat betreft de typische koolbestanddelen (maceralen) was er een goede overeenkomst.