Tepeltal

NIET DE TEPEL maar de melkklier is het wezenskenmerk van het zoogdier. Aan de slikkige stranden van prielen en kreken in Oost-Australië wordt nog regelmatig gezoogd zonder tepel. Het bescheiden vogelbekdier verwezenlijkt daar tussen de zachte haartjes van zijn bruine pels het schoonheidsideaal van de Victoriaanse beeldhouwer: de tepelloze borst. De melk voor het vogelbekjong sijpelt zijn bestemming tegemoet langs het borsthaar van de vogelbekmoeder. En dat van de vogelbekvader.

Bijna alle andere zoogdieren hebben wel tepels, mannetjes net zo goed als vrouwtjes, omdat melkklieren evolutionair zijn ontstaan uit zweetklieren. Maar wie mocht denken dat de tepel dus min of meer centraal staat in vergelijkend anatomische en gedragskundige beschouwingen over zoogdieren komt bedrogen uit. De naslagwerken doen de tepel af alsof hij er niet bij hoort.

Liever komen zij met uitwisselbare, abstracte beschouwingen over de embryologie van de melkklier. Zij beschrijven hoe de melkklieren worden aangelegd in de vorm van melklijsten, die op hun beurt weer uiteenvallen in 'verhevenheden', de melkheuvels, waarop dan weer de tepel komt te staan. Ze noteren dat de plaatsing van de verhevenheden nogal varieert: tussen de voorpoten bij schubdieren, vleermuizen, olifanten en mensen, langs de hele buik bij insecteneters, roofdieren en sommige knaagdieren en uitsluitend tussen de achterpoten bij walvissen en hoefdieren. Maar ze zwijgen over het zo in het oog springende numerieke vraagstuk: hoe is de relatie tussen het aantal tepels en de grootte van de worp?

Nu, ze zwijgen niet helemaal. De Encyclopaedia Britannica schrijft dat het aantal celklompen dat ten slotte tot melkklier uitgroeit varieert van soort tot soort 'according to the size of its litter'. De Winkler Prins houdt het erop dat 'het aantal jongen is gecorreleerd met het aantal melkklieren'. Maar maakt onder het lemma 'melkklier' snel een voorbehoud: 'het aantal tepels komt niet altijd met het maximum aantal jongen overeen'.

Dat er wat loos is, leert een enkele blik in wei of stal. Een koe heeft vier tepels en een paard maar twee. Toch krijgen beide gewoonlijk maar één jong. Anderzijds krijgt het schaap met zijn twee tepels gewoonlijk twee lammeren. In kort bestek vinden we dus een schema van vier-op-een, twee-op-een en een-op-een. De hemel weet wat er nog meer aan mogelijkheden is.

Wat zou de grote lijn zijn? Daar is niet eenvoudig achter te komem. De gangbare naslagwerken en handboeken doen wel onduidelijke opgaven over de worpgrootte maar nooit over het aantal tepels dat de worp ter beschikking staat. Dus bellen. Met Artis, met Blijdorp, met het Dolfinarium, de zeehondencrèche, de organisatie van konijnenhouders, de bond van geitenhouders, de vereniging Ornithophilia (die ook cavia's meeneemt), de kattenfokkers, de stichting vleermuisonderzoek, de stichting das en boom en de stichting eekhoornopvang. Maar niet met de commissie werkhond en vanzelf niet met het knobbelzwaanplatform.

Nergens voor nodig, dat gebel, zegt later Chris Smeenk, conservator zoogdieren van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis. In een gespecialiseerd werk als het 'Handbuch der Säugetiere Europas' van Niethammer en Krapp e.a. wordt het aantal Zitze wèl standaard opgegeven. Dat van het wilde varken blijkt volgens de Duitsers 10 tot 12 te zijn. Maar daarover straks.

Het was niet doenlijk Smeenk alle tepeltallen te laten opzoeken, de selectie is dus voornamelijk door de genoemde instituten gemaakt. De indruk is dathet schema van twee-op-een tamelijk algemeen is. Men vindt het bij paard, ezel, kameel, olifant, vleermuis, zeehond, zeekoe, zeeleeuw en tuimelaar. Met vier tepels en twee jongen valt de zeeotter er ook onder. Het vier-tepels-een-jong concept van de koe werd deze week alleen bij de walrus gevonden.

Neemt het absolute aantal tepels toe dan blijkt de relatieve overmaat meestal wat terug te lopen. De das zit met 6 tepels en gemiddeld 2 à 3 jongen aan de veilige kant, de eekhoorn met 6 tegen 4 al wat minder en de boommarter met 4 tegen 3 à 4 is nog krapper. De grondregel lijkt dus te zijn dat de natuur veiligheidshalve altijd een of twee tepels extra (boven de gemiddelde worpgrootte) als reserve bijplaatst.

Maar zo simpel zit het niet. In zuidelijk Afrika leeft een idioot rattengeslacht met de veelzeggende naam Mastomys dat gemiddeld maar 8,5 jongen krijgt en daar ijskoud 24 tepels tegenover plaatst. Anderzijds brengen schaap en geit, elk met maar twee tepels, heel vaak meer dan twee jongen ter wereld. Tamme konijnen hebben 8 tot 10 tepels, en worpen die kunnen oplopen tot wel 12 of 14. In sommige afdelingen van het dierenrijk blijkt de reserve-gedachte dus geheel over boord gezet. Dat hoeft ook geen drama te worden, zeggen konijnenfokkers. Zijn er meer konijntjes dan tepels, dan wisselen ze een beetje af.

Maar het kàn wel een drama worden. Het tamme varken heeft, zeggen deskundigen van het Informatie- en kennniscentrum Landbouw in Ede, 18 tot 22 tepels maar daarvan zijn er meestal maar 14 productief. De worpgrootte is weliswaar gemiddeld 12, maar kan makkelijk oplopen tot 18. En biggetjes 'wisselen' niet. Ze veroveren direct na de geboorte een vaste speen die ze nooit meer afstaan, de zwaarste biggen liggen vooraan bij de beste spenen. De varkenshouder die ziet dat er biggen uit de boot vallen kan niets anders doen dan deze 'overleggen' bij een zeug die tepels onbezet heeft. De anomalie is een gevolg van het doorfokken op een grote worp. Wilde varkens hebben veel kleinere worpen en komen wel goed uit.