Schrijfster en oud-activiste Conny Braam: Ik wil niet verbitteren. Daarom moet ik afstand nemen

Ze blijft een politiker, maar niet meer van de Grote Strijd. In haar laatste boek beschrijft Conny Braam de sentimenten die jarenlang door de megafoon werden overstemd. Zuid-Afrika door de ogen van een minnares. Vandaag wordt ze vijftig jaar. 'Ik blijf meisjesachtig, daar verandert mijn leeftijd niets aan.'

Conny Braam, De amazone van Dahomey, uitg. Meulenhoff, ƒ 29,90, 190 blz.

De portretten van Joe Slovo en Oliver Tambo, de amuletten, ik heb ze allemaal opgeborgen. Weg. Mijn anti-apartheidsverleden zit geordend in zestig archiefdozen, de valse paspoorten en de geheime plattegronden liggen in een vitrine van het verzetsmuseum in Kaapstad. Dit huis is niet langer een konijnenhol. Mijn werkkamer bereidt zich voor op een nieuwe fase in het leven van Conny Braam, een Nederlandse Conny Braam.

Ik heb me uit Afrika teruggetrokken. Het is mooi geweest. Ik wil in de Amsterdamse Rivierenbuurt wortelen en zelfstandig opereren. Los van de politieke actie, los van het gestaalde kader. Ik wil geen onderdeel meer vormen van de Grote Strijd. In mijn net verschenen verhalenbundel De amazone van Dahomey gaat het om de kleine gebeurtenissen. Verdriet, liefde, al die sentimenten die jarenlang door de megafoon werden overstemd.

Als voorzitter van de Anti-apartheidsbeweging Nederland en als ANC-activist had ik mensen nòdig. Ze waren instrumenteel, inzetbaar om Afrikaners te misleiden. Als onderduikadres, als wapensmokkelaar. Solidariteit was belangrijker dan vriendschap. Persoonlijke voorkeuren stopte ik weg. Nu kan ik veel vrijer naar mensen kijken. Aan sommige kameraden, die jarenlang onverbrekelijk met me verbonden waren, heb ik geen boodschap meer. Ik vind ze gewoon niet aardig.

Mijn emotie stopte ik ook weg. Gedurende Operatie Vula, waarbij de ANC-top tussen 1985 en 1990 vanuit Lusaka ondergrondse acties voorbereidde in Zuid-Afrika, kon ik de verliezen incasseren. De moordpartijen, de martelingen. Na elke afrekening, elke dode probeerden we nóg slimmer te zijn. Zelfs toen de geheime dienst me eind jaren tachtig vergiftigde door me een geprepareerd colbert cadeau te doen, bleef ik gewoon doorwerken. Terwijl ik de ene zware buikoperatie na de andere moest ondergaan. Zolang je de vijand zakelijk bekeek kon dat ook.

Ik kon me goed verplaatsen in die Afrikaanse boeren. Ze zijn als de kwaaie kant van je familie - je hebt ze nooit gesproken, maar als je ze ontmoet, herken je ze onmiddellijk. Ik wist hoe ik ze kon pakken. Niet met grof geweld, maar door misleiding. Ik heb een groot talent voor misleiding. Zo kwam ik op het idee om gezochte verzetsstrijders te vermommen, zodat ze onherkenbaar naar Zuid-Afrika terug konden keren. Met de hulp van kostuumontwerpers en grimeurs maakte ik van een stille student een priester, die heel geloofwaardig de biecht afnam.

In de ogen van de Zuid-Afrikaanse geheim agenten was ik als langharige, blanke vrouw een hoer. Toen ik Joe Slovo eens een arm gaf op de trap voor zijn hotel wisten ze genoeg. Dat bracht rust in die malle koppen. Hun blinde racisme maakte ze genadeloos. Ze executeerden de zwarte strijder Charles Ndaba, wikkelden zijn lijk in prikkeldraad en gooiden het in de Tugela-rivier. Zonder gêne biechtten ze hun wandaad op voor de Waarheids- en verzoeningscommissie. Triomfantelijk bijna. 'Tja, waar gehakt wordt, vallen spaanders.'

Pas toen ik eind vorig jaar zelf plaats nam voor de Waarheidscommissie begon ik te janken. Ik wist niet dat ik zo vol tranen zat. De verloren vrienden, de infiltratie, het verraad. En al die oorlogsmisdadigers die dankzij de amnestieregeling van oud-president De Klerk gewoon in hun villa's in de buitenwijken van Johannesburg konden blijven wonen! Met de zegen van bisschop Tutu! Het resultaat van onze strijd is een half gewonnen oorlog.

Ik ben een mens van hevige emoties. Met de helft zou ik ook toekunnen. Onstelpbare huilbuien en overdreven gebaren. Als ik vroeger op de nonnenschool iets voor de klas vertelde, gebruikte ik al mijn gezichtsuitdrukkingen. Ik gesticuleerde, ik imiteerde. Zo hoorde een katholiek meisje zich niet te gedragen. Met mijn handen op mijn rug moest ik het verhaal nog eens overdoen. Beheersing.

Wat dacht je? Die blanke Zuid-Afrikanen zijn nu natuurlijk allemaal tegen apartheid. Nooit geprotesteerd, altijd geprofiteerd. Ze vinden me geweldig. 'Wat jij allemaal hebt gedaan voor de emancipatie van de zwarten', zeggen ze. Hun deur staat altijd voor me open. 'Het is zo mooi dat het ANC kan vergeven', zeggen ze. 'Die zwarten zijn toch anders, die vergeven makkelijker.' Of ik hun nieuwe keuken wil komen bewonderen? Ik word volledig kaltgestellt.

Soms voel ik de haat in golven opkomen. Dat niemand uit de blanke gemeenschap vraagt om de veroordeling van de beulen. Ze moeten voor de rechter, niet voor een bisschop. Pas als ze bestraft zijn, krijgen de zwarte Zuid-Afrikanen weer vertrouwen in de rechtsorde. Nu blijven de Afrikaners op hun oude post: in het leger, bij de politie, in het bedrijfsleven. Ze zijn een kankergezwel in het land.

Het zit de zwarten ook niet lekker. Het was in 1990 niet de revolutionaire omwenteling waarop ze hadden gehoopt en nu moeten ze als korpschef en opperbevelhebber van de strijdkrachten ineens met hun vijanden samenwerken. Ik zou het niet kunnen. Maar de ANC'ers stoppen hun frustratie collectief weg. Er is stemrecht, zeggen ze, er is een regering. Over de duizenden ouders die hun kinderen verloren tijdens de gewapende strijd wordt niet gepraat.

Het is een wereldwijd probleem: wat doe je met de daders van een dictatuur? Het nieuwe, onervaren bewind wil zo gauw mogelijk overgaan tot de orde van de dag. Het heeft geen belang bij afrekening. Er moet puin worden geruimd. En trouwens: dit wilden we toch? Zo is het toch goed? Zonder de bestaande infrastructuur en kennis kan er eenvoudigweg niet worden geregeerd. Daarom wordt er niet gestraft.

De blanken bezitten nog steeds de Zuid-Afrikaanse economie. De industrie, de dienstensector, de goudmijnen. De regering had de mijnen willen nationaliseren, dat is niet gelukt. Ze voert nu een positieve-discriminatiebeleid. Zwarten krijgen voorrang in de top van het bedrijfsleven. Dat vinden de blanke magnaten natuurlijk potsierlijk. Die Mandela valt reuze mee, maar verder moet alles bij het oude blijven.

Ben ik de enige die zich opwindt over zoveel opportunisme? In mijn diepste eenzaamheid heb ik overwogen naar Johannesburg te gaan om zes van die beulen persoonlijk neer te leggen. Ik wist precies waar ze woonden. Zulke gevaarlijke kennis kun je beter niet bezitten. Maar het is toch onverteerbaar dat zij hun prettige leventje kunnen voortzetten, terwijl er nog zoveel krottenwijken zijn? Laat ze mij dan maar veroordelen, dacht ik. Het bleef een vage fantasie.

Gelukkig heb ik een dochter. Tessel. Uit mijn voorbije huwelijk met een cineast. Zij heeft me weerhouden van al te grote dwaasheden. Ik toom me in. Ze is nu vijftien jaar en ik kijk met verbazing naar haar. Naar haar mooie lange benen, die ze zelf te dik vindt. En naar de drie boomlange jongens die hier gisteravond ineens in de kamer stonden. Ze ging uit.

Ik ben een hoop kwijtgeraakt. Het ondergrondse gevoel en de ANC-ballingen met wie ik werkte en woonde in Zambia. Er was geen afscheidsfeest, er was geen einde. Eén voor één gingen ze een spannende toekomst tegemoet, behalve ik. Ik kwam in een politieke luwte terecht, kon me nergens meer mee vereenzelvigen. Intussen kreeg ik in Amsterdam opgewonden telefoontjes: Raad eens waar ik sta? Op de Tafelberg! Mijn leven was niksig.

Je kunt er ook niet over door blijven zeuren. Ik besprak mijn frustraties wel eens in het café, met veel pils erbij, maar de volgende dag zat ik weer alleen. Ik werd paranoïde. Durfde niet naar buiten. Toen ik een keer boodschappen ging doen, staken twee gezette mannen de straat over. Sportschoenen, windjack. Een van hen stak zijn hand in zijn binnenzak. Afrikaner Weerstand, dacht ik. Ik kreeg geen adem meer. Bleken het twee trambestuurders te zijn op weg naar de remise. Post-traumatische stress stoornis, oordeelde de psychiater die ik opzocht. Hij had ervaring met verzetsstrijders.

Ik wil niet verbitteren. Dat is het ergste wat ze me kunnen aandoen. Daarom moet ik afstand nemen van Zuid-Afrika. Ik heb er niks meer te zoeken en toch word ik ter verantwoording geroepen voor de excessen in dat land. Bij het tv-programma Buitenhof moest ik in december zo ongeveer mijn excuses aanbieden voor het gedrag van Winnie Mandela. Ze is geen gemakkelijke persoon. Ze is niet mijn heldin, ik heb alleen gezien hoe het apartheidssysteem haar heeft verwoest. Ze heeft jaren gevangen gezeten, ze is verbannen. Dat probeerde ik te zeggen, omdat ik dacht dat ik om mijn deskundigheid werd geraadpleegd. Maar blijkbaar ben ik de verpersoonlijking van Winnie in Nederland.

Mijn mening wijkt nogal eens af van de communis opinio. Toen ik me onlangs in Zuid-Afrika kritisch uitliet over de Waarheidscommissie, werd me dat door de zwarte gemeenschap niet in dank afgenomen. Op zulke momenten zit ik weer in de leerlingenraad van het Katholiek Gelders Lyceum in Arnhem. Ik stemde als vertegenwoordiger van de onderbouw tegen het censureren van een stuk in de schoolkrant. Durfde ik dat tegenover al die grote jongens? Ik trilde licht en transpireerde van nervositeit, maar ik deed het wel. Al werd ik niet serieus genomen. Er werd om me gelachen.

Denk niet dat ik er plezier aan beleef. Ik houd niet van de confrontatie. Ik doe het uit plichtsbesef. Uit een oprecht, diep meegevoel met de zwarte Zuid-Afrikaanse bevolking. Ik heb een hekel aan liefdadigheid, maar goed, ik bood natuurlijk wel hulp. Daarvan waren beide partijen zich bewust. Daarom was er altijd een zekere spanning in mijn contact met Afrikanen. Ze accepteerden adviezen, maar besloten zelf. Ik wilde niet overkomen als een dominante blanke vrouw, want ik wist dat ik ze dan zou afschrikken. Ik mocht ze niet overbluffen met al mijn kennis. Ik wilde heel dichtbij ze komen. Die persoonlijke relaties waren me veel waard.

Ik ben gelukkig nooit beroofd in Zuid-Afrika. Niets lijkt me erger dan beroofd te worden door iemand aan wiens kant ik uit principe sta. Iemand met wie ik zou kunnen drinken en praten onder een boom. Mijn hele moraal zou van slag zijn. Nergens is de scheidslijn tussen goed en fout scherper dan daar. De zwarte bevolking is een amorfe groep van slachtoffers. Er zijn een paar honderd goede blanken, de rest deugt niet.

Ik spot graag met mezelf. Zeker sinds het onaantastbare aura van verzetsheldin om me heen is gehangen. In De amazone van Dahomey relativeer ik mijn eigen behaagzucht en mijn verliefdheden. Het zijn vijf korte verhalen waarin ik zelf de hoofdrol speel. Als oudste zus, als minnares, als avonturier. Maar in al die rollen schiet ik tekort. Ik schat reisgenoten verkeerd of te laag in. Ik heb de neiging mezelf sterker voor te doen dan ik in crisissituaties ben en ik gedraag me werkelijk dwaas in mijn verliefdheid. Als alleendoener moet ik mezelf van een afstand kunnen bekijken. Mezelf uitlachen. Dan ben ik op mijn best.

Ik heb veel grote liefdes gekend. Ik kan me overgeven aan grootse passie. Dat ik mezelf binnenstebuiten keer voor iemand om maar leuk te zijn. Heftige discussies, hard lachen. De spanning die vooraf gaat aan seks. De verwarring die zich van je meester maakt. De neiging om de verkeerde dingen te zeggen, om raar te gaan doen. Maar je mag niet op elkaar afknappen, dus vereist het voorspel een grote geestelijke inspanning. Blijf je bij de les, dan word je beloond met een lichamelijke ontlading.

Daarna wil ik alleen zijn met mijn gedachten. Ik voel me gauw gestoord. De laatste tijd ontbijt ik ook niet graag samen de volgende ochtend. Daar word ik zenuwachtig van. Ik wek nooit de illusie dat er een heel leven aan zo'n nacht kleeft. Liever verzamel ik energie voor de volgende afspraak. Ik zoek de ware niet, ik ben promiscue en dat kan ik nog lang volhouden.

Soms loop ik de ware toevallig tegen het lijf. Ik ontmoette in 1986 in Lusaka een ANC-strijder van Indiase komaf. Ebrahim Ismael Ebrahim ofwel Chota. Hij had vijftien jaar gevangen gezeten op Robbeneiland en oogde kwetsbaar, niet gekwetst. Ik keek uit naar zijn komst naar Amsterdam, toen ik een telefoontje kreeg: hij was gekidnapt door de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdienst. Gekidnapt betekende net zoveel als gemarteld. Niets is erger dan dat je geliefde wordt gemarteld. Je houdt lichamelijk van iemand en dat lichaam heeft pijn. Ik kon wel onder het tapijt kruipen.

Mijn liefdesverdriet werd nog groter na zijn terugkeer. Hij was verwoest, gebroken. Je loopt veel kleine beschadigingen op als je iemand verliest. Hij dacht dat er een vrouw op hem wachtte. Ik wachtte ook, maar ik kende hem niet meer terug. Ik kon de draad niet meer oppakken.

Ik had voor hem moeten zorgen, vonden mijn Zuid-Afrikaanse vrienden. 'Het is je man', zeiden ze. Ik had naar Zuid-Afrika moeten gaan om hem in huis te nemen. Dat heb ik niet gedaan en daar heb ik me erg schuldig over gevoeld. Ik krijg nog wel eens een kaartje van hem. En de laatste keer dat ik hem zag, hebben we hand in hand naar een culturele talkshow gekeken.

In Zuid-Afrika word ik lichamelijk verheerlijkt. Ik krijg geen hand, ik word gekust. Aan mij mag gezeten worden. De laatste keer dat ik in Afrika was, bij het afscheid van Mandela als partijleider, werd ik dagelijks gemiddeld vierhonderd keer omhelsd. Voor veel Zuid-Afrikanen was ik de eerste blanke vrouw die ze aanraakten. Lichamelijk contact met een blanke vinden ze raar. Een witte hand op een zwarte arm, het voelt als de overtreding van de immorality-act. Dat ik ze een kus geef op hun wang betekent veel voor ze.

Ik blijf een meisjesachtige activist, daar verandert mijn leeftijd niets aan. Laatst kreeg ik bezoek van twee jonge GroenLinks-leden. Ze klaagden dat er zo weinig actie te voeren was. Dat ligt aan jullie! riep ik. Jullie mogen pas terugkomen als je een Indonesië-comité hebt opgericht. Ik gloeide en ineens kreeg ik weer zin om me boos te maken. In mijn eentje. Partijpolitiek ligt me niet, ik ben wat ze in Zuid-Afrika een politiker noemen. Ik houd van opstand. De laatste keer dat ik in Zuid-Afrika was, voelde ik dat ook. Ik keek naar mezelf in de spiegel en dacht: 'Nu ben ik vijftig jaar oud, maar ik kan niet slapen van opwinding!' Joe Slovo zei: 'je bent van elastiek.' Misschien mobiliseer ik binnenkort de Nederlandse werklozen. Ik zal mijn haar voorlopig niet afknippen.''