Schip noch kerkhof; Archeologen stuiten in Zuid-Chili bij toeval op Indiaans zeevolk

Van een Hollandse expeditie vonden Floore en Gawronski niets. Maar wel een verdwenen inheemse cultuur.

IN DE ZOMER van 1598, twee jaar na de Overwintering op Nova Zembla, vertrokken uit Rotterdam vier grote schepen en een jacht om via Zuid-Amerika op zoek te gaan naar handelscontacten in Oost-Indië. Slechte weersomstandigheden dwongen de expeditie onder leiding van de admiraals Jacques Mahu en Simon de Cordes te overwinteren in de Straat van Magalhaes. De baai, 'een lustige Reede, alwaer hout, mosselen, ende soet water genoegh te bekomen is', aldus een overgeleverd summier reisverslag, noemden ze naar De Cordes. Ter plekke bouwden ze van meegebracht hout een schip om een van de vier schepen dat averij had opgelopen, te vervangen. In die baai, tegenwoordig Fortescue-baai geheten, stierven 120 bemanningsleden onder nog niet opgehelderde omstandigheden.

Toen de tocht vervolgd werd, kwam er geen einde aan de ellende, want de vloot raakte uit elkaar. Eén schip werd door de Spanjaarden overmeesterd, een ander verdween in de Stille Oceaan. Van de twee schepen, die Azië bereikten, viel één in de handen van de Portugezen op Tidore. Het tweede, de Liefde, werd in de baai van Nagasaki geplunderd, de bemanning werd gevangen genomen - later legden deze zeelieden voor de VOC waardevole contacten met de Japanse bewindvoerders. Alleen Sebald de Weert, die na de overwintering met zijn jacht rechtsomkeert maakte, keerde met 32 bemanningsleden behouden terug. Op grond van zijn bevindingen werd een kaart van de Straat van Magalhaes gemaakt die tot de negentiende eeuw onovertroffen bleef.

Pieter Floore en Jerzy Gawronski, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waren benieuwd naar wat er nog van de overwintering restte. Het tweetal, dat betrokken is (geweest) bij onderzoek van Het Behouden Huis op Nova Zembla, het VOC-schip Amsterdam (het wrak bij Hastings) en Nederlandse forten op Mauritius, houdt zich bezig met 'geïntegreerd historisch archeologisch onderzoek'. Ze richten zich op Nederlandse materiële overblijfselen uit de zestiende tot en met de achttiende eeuw. De periode die loopt van de eerste initiatieven om eigen handelsroutes op te zetten, via de glorietijd tot de ondergang van de VOC. De periode is rijk aan historische bronnen, maar beiden zijn van mening dat archeologisch onderzoek nuttige aanvullingen kan geven. De vondst van een zeemanskerkhof in de Straat van Magalhaes of van het achtergelaten schip zou bijvoorbeeld meer informatie verschaft kunnen hebben.

De voormalige Cordes-baai ligt in een geïsoleerd gebied. De dichtstbijzijnde stad is Punta Arenas met 60.000 inwoners. Vandaar loopt een weg naar het zuiden, die echter na 80 kilometer ophoudt. De expeditie, die behalve uit het tweetal bestond uit een Nederlandse en een Chileense archeoloog en een fysisch geograaf, werd door een schip van de Chileense marine naar de plaats van bestemming gebracht. Bij aankomst in de baai was de hoop op het vinden van organisch materiaal en botten echter snel verdwenen. Het landschap, aldus de twee archeologen, bleek bedekt onder een enorme laag hoogveen, zodat je niet kan zien waar het historische zestiende-eeuwse landschap begint. “Verder bevat hoogveen zuren en zuurstof, die organisch materiaal en botten snel aantasten.”

De van de Explosieven Opruimings Dienst geleende metaaldetectoren sloegen bij verkenning van de baai en het bosrijke achterland op verschillende plaatsen wel uit. Nader onderzoek van deze plekken leverde onverwachte vondsten op: houwelen, spoorrails, een treinwiel en golfplaat uit het begin van deze eeuw. Verder vonden de archeologen deurscharnieren, bronzen ontluchtingskokers en flessen, maar ook een harpoen van walvisbeen, vuistbijlen en werktuigjes van obsidiaan (vulkanisch glas). De Chileense archeoloog bedacht zich toen dat dit zuidelijke puntje van Chili het leefgebied is geweest van de Kaweshkar-indianen.

Gawronski en Floore hadden in het bewaard gebleven reisverslag van Sebald de Weert wel gelezen dat er indianen in het gebied voorkwamen. “De Weert en zijn mannen hebben een indianenmeisje meegenomen naar Rotterdam. Ze hoopten de taal te kunnen leren en zo voor latere expeditites belangrijke informatie over de streek te kunnen krijgen. Maar het meisje is kort na aankomst in Rotterdam overleden.”

De passage van De Weert, was toen zij in de baai arriveerden, uit hun herinnering verdwenen, moet het tweetal bekennen. De wetenschappelijke literatuur over de Kaweshkar is dan ook zeer beperkt, van hen is niet veel meer bekend dan dat het een zeevolk was dat zich in de Straat verplaatste in bootjes van boomschors. Ze leefden van het verzamelen van schelpdieren, de jacht op vogels en visvangst. Floore en Gawronski vonden tussen drie voormalige eilandjes in de baai ook zeekralen. “Enkele zijn gezien de korstmosgroei al eeuwenoud”, zegt Floore. Een precieze datering van de kralen, maar ook van de andere vondsten is voorlopig nog een probleem. “Van de vindplaatsen zonder metaal kunnen we zeggen dat ze uit de 'prehistorie' stammen, dat kan 1350 zijn, maar ook 1849”, zegt Gawronski. Een jaar later begon de kolonisatie van Patagonië en vestigden blanken zich in het gebied, op zoek naar delfstoffen en uitgestrekte weidegronden voor schapen.

Uit de vondsten van Gawronski en Floore blijkt dat de Kaweshkar metalen voorwerpen van de blanken verzamelden en er een nieuwe, rituele betekenis aan gaven. Dat zag je ook, aldus de twee archeologen, bij indianenstammen in Canada, die in contact kwamen met de Fransen en Engelsen. En hetzelfde deed zich voor toen Hollanders zich vestigden in Nieuw Amsterdam (New York).

De komst van de blanken zorgde niet alleen voor nieuwe 'rituele' voorwerpen, maar luidde ook het einde in van de indianenculturen. Veel van de indianen die in Patagonië en op Vuurland leefden (behalve de Kaweshkar zijn dat de Aonikenk, Selknam en de Yámana) werden tegen premies afgeschoten of als curiositeit vervoerd naar bijvoorbeeld de wereldtentoonstelling in Parijs. Verder deden geslachtsziekten en alcoholisme hun intrede. In de jaren dertig is de laatste Kaweshkar gesignaleerd die nog volgens de oude gewoonten leefde, aldus de twee archeologen.

Pas de laatste jaren groeit de belangstelling voor de indiaanse culturen in Patagonië en is er meer aandacht voor wetenschappelijk onderzoek. Het is nu aan de Chilenen om het onderzoek voort te zetten, zeggen Floore en Gawronski. Zij blijven echter geïnteresseerd. “De Kaweshkar hebben ook in de zestiende eeuw materiaal verzameld. Dus als we sporen van de Hollandse overwintering willen vinden, moeten we die zoeken in de indiaanse vindplaatsen.” De eerste aanwijzingen zijn er al: dicht bij elkaar, binnen een straal van twintig meter hebben Gawronski en Floore vier brokstukken gevonden van een gietijzeren kanon.