Rekenen met inflatie

Meer dan eens wordt in deze rubriek berekend hoeveel iemand jaarlijks opzij moet leggen, of nu al moet bezitten, om een toekomstig doel te bereiken. Die berekening gaat onder meer van de looptijd van de besparing, het bedrag dat straks nodig is, de prioriteit van het doel en het beleggingsinstrument.

Die instrumenten zijn renterekeningen, spaarregelingen, obligaties, levensverzekeringen, pensioenregelingen, een eigen huis, aandelen, maar ook een eigen zaak. Deze middelen, om een doel te bereiken, bezitten unieke eigenschappen, zoals een bepaalde opbrengst (rendement) en een zeker risico.

Een belegging in aandelen via een beleggingsfonds levert, gemeten over een reeks van jaren, per fonds een verschillend rendement op. In dertig jaar tijd - tussen 1967 en 1997 - loopt dat uiteen van circa 7,5 tot 12,5 procent gemiddeld per jaar. Over de afgelopen twintig jaar variëren de opbrengsten tussen 12 en 16 procent. In de laatste tien jaar komen er uitschieters van ruim 20 procent voor.

Een briefschrijver maakt bezwaar tegen een onlangs in een berekening voor een pensioenreserve verondersteld rendement van netto 7 procent. Dat vindt hij te optimistisch, omdat er geen rekening wordt gehouden met 3 procent inflatie en inkomstenbelasting. Ook de pensioenuitkering moeten ieder jaar met 3 procent stijgen om de stijgende kosten bij te houden. In het beoogde pensioenpotje op 60 jaar zit dan geen 150 duizend, zoals becijferd, maar 250 duizend gulden. Hoe zit dat?

Beheerders van beleggingsfondsen en enkele andere verkopers van beleggingsinstrumenten zullen instemmend knikken: liever een klant die zich richt op 250 duizend dan op 150 duizend gulden. Zij hebben er belang bij de toekomstige inflatie hoog in te schatten.

De werkelijkheid steekt ingewikkelder in elkaar. De inflatie bestaat niet. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent onder meer indexcijfers voor producentenprijzen, herbouwkosten van woningen, woninginboedels en consumentenprijzen. Zo daalde het cijfer voor inboedels tussen 1990 en 1998 met bijna 2 procent, maar de herbouwkosten stegen met 18 procent.

De consumentenprijsindex voor alle huishoudens liep in de afgelopen drie jaar 4 procent op. Deze cpi meet de gemiddelde prijsverandering van goederen en diensten die huishoudens voor hun levensonderhoud kopen. In dit (bijna) standaardpakket zitten: voedingsmiddelen, dranken, tabak; kleding, schoeisel; huur, woonlasten; medische verzorging; vervoer, communicatie; ontwikkeling, ontspanning; overige goederen en diensten; consumptie-gebonden belastingen en overheidsdiensten.

Woonlasten (26 procent) en voedingsmiddelen (18 procent) drukken zwaar op de 1990-index. In de loop van de jaren wisselt die weging. In de 1980-index deden woonlasten 22 procent en voeding 24 procent. Zo actualiseert het CBS regelmatig de samenstelling en weging van de onderdelen van het pakket. Dat is vast een lastige klus. Misschien zitten er over tien jaar de kosten voor Internet in. Daar komt nog bij dat niemand leeft volgens de gemiddelden van het CBS. Gepensioneerden besteden hun geld anders dan tweeverdieners of kinderrijke gezinnen. Ouderen kunnen dus volgens de cpi duur uit zijn, maar in de praktijk goedkoper leven doordat hun behoeften afnemen.

Dezer dagen daalt de inflatie in de EU-landen, terwijl deze in enkele Aziatische zelfs omslaat in deflatie, prijsdalingen. De euro zal die tendens versterken, beloven de voorstanders van de gemeenschappelijke munt. Althans wanneer alle andere economische omstandigheden gelijk blijven, wat alleen in schoolboeken het geval is.

Dus: waarom rekening houden met 3 procent inflatie? Je kan dit probleem anders benaderen. Bijvoorbeeld door te beleggen in middelen waarvan de waarde op de een of andere manier gekoppeld is aan het wel en wee van het bedrijfsleven (aandelen, eigen bedrijf, waardevaste pensioenregeling) en/of de economie (eigen huis), en uit te gaan van een realistisch rendement.

Zo ligt op dit moment netto 7 tot 8 procent voor aandelen, en een termijn van vijf jaar of langer, aan de veilige kant. Dat kan je opmaken uit voorstellen van adviseurs voor particulieren. Daarmee kan je de inflatie, belasting en kosten waarschijnlijk opvangen. Een paar goede jaren er tussendoor (zeg: 25 procent per jaar) en je compenseert de inflatie voor vele jaren in het voren, mits je die waardestijging indien nodig veilig stelt.

Wie kiest voor een rustig en veilig beleggingsinstrument met een vaste uitkering, zoals een kapitaalverzekering, een lijfrenteverzekering of obligaties, ontvangt daaruit geen compensatie voor de eventuele inflatie. Die moet wellicht de tering naar de nering zetten. Ook dat is tegenwoordig niet moeilijk voor een geduldig iemand: het hele jaar door wordt er opgeruimd.