Oostenrijkse minister pleit voor teruggave kunst

WENEN, 28 FEBR. De Oostenrijkse minister van onderwijs Elisabeth Gehrer heeft de Oostenrijkse musea eergisteren opdracht gegeven contact op te nemen met eigenaren en erfgenamen van kunstwerken die tussen 1938 en 1955 'onder moreel verdachte omstandigheden door de Oostenrijkse staat zijn verworven'.

Daarbij pleitte ze voor een ruimhartig teruggavebeleid van deze werken. 'Ik ben als minister niet bevoegd bezit van de staat weg te geven, maar ik zal mij er sterk voor maken ook in zaken die juridisch al zijn verjaard ruimhartig te werk te gaan', aldus Gehrer. Steun kreeg de minister gisteren van de staatssecretaris voor kunstzaken, Peter Wittmann. Kanselier Victor Klima wilde nog geen commentaar geven.

Deze ontwikkeling komt vooral op het conto van de Weense krant Der Standard. Toen de New-Yorkse douane in januari beslag legde op twee doeken van schilder Egon Schiele omdat ze als 'verdacht roofgoed' werden beschouwd, was dat voor Gehrer aanleiding om in alle musea onderzoek te laten verrichten naar de afkomst van de daar aanwezige kunstschatten. Aanvankelijk was dit vooral een 'zelfonderzoek', omdat Gehrer er geen geld voor beschikbaar had gesteld. Daardoor was ieder museum verantwoordelijk voor zijn eigen onderzoek. De resultaten waren dan ook niet overtuigend - zo verklaarde het Kunsthistorische Museum al bij voorbaat geen 'verdachte schatten' in huis te hebben. Der Standard begon daarop met een vervolgserie over 'geroofd erfgoed'. Deze serie én de bijbehorende berichten over de tegenwerking van ambtenaren hebben ertoe geleid dat de minister heeft ingegrepen. Zij heeft de musea de taak uit handen genomen en een onderzoeks-coördinator benoemd. Experts moeten nu vaststellen hoeveel geld er voor onderzoek nodig is. Gehrer bood de Standard haar excuses aan voor de tegenwerking van haar ambtenaren en die van directeur Wilfried Seipel van het Kunsthistorische Museum. Ze kondigde een onderzoek in deze kwestie aan.

Seipel had geprobeerd informatie over schilderijen achter te houden die de familie Rothschild aan Oostenrijk heeft 'geschonken'. Net als andere joodse families werden ook de Rothschilds door de nazi's beroofd. De nazi-directeur van het Kunsthistorische Museum, Fritz Dworschak, kende de Rothschild collectie en detail - hij dineerde vaak bij de familie. In 1945 kwam de door de nazi's ontslagen directeur weer terug, maar Dworschak bleef aan als tweede man. De Rothschilds leefden intussen in New York en voelden er niets voor om naar Oostenrijk terug te keren. Hun kunstcollectie werd door de autoriteiten echter als 'cultureel erfgoed' beschouwd dat niet uitgevoerd mocht worden. De oplossing was dat de Rothschilds hun kunst mochten ophalen als ze bereid waren Oostenrijk een deel ervan te schenken. Zo kwamen doeken van Hals, Holbein, Ruysdael en Cuyp in het bezit van het Kunsthistorische Museum - 'geschonken' door de familie Rothschild. Samensteller van het verlanglijstje was Fritz Dworschak.