Nederland is wel érg vriendelijk voor China; Respect voor mensenrechten is er nog ver weg

In de vijfde eeuw voor onze jaartelling vroeg de Chinese filosoof Mo Di zich af: “Als een enkele moord als een misdaad wordt gezien, maar een massamoord door een regering begaan, wordt geprezen, kan dan nog worden beweerd dat een onderscheid wordt gemaakt tussen goed en kwaad?”

De straffeloosheid waarmee regeringen grove schendingen van mensenrechten begaan is een eeuwenoud verschijnsel. Slechts een minderheid van landen kan erop bogen de rechteloosheid te boven te zijn gekomen. Hoewel geenszins volmaakt, zijn de democratieën in elk geval gefundeerd op vrijheid van meningsuiting, algemeen stemrecht, een onafhankelijk juridisch apparaat en grondwettelijke bescherming van mensenrechten. Die beginselen vormen ook het bestaansrecht van de Nederlandse staat.

De Volksrepubliek China staat daar nog heel ver van af. De vrijheid van meningsuiting is in wet noch praktijk beschermd. Het nationale leiderschap is nooit in vrije verkiezingen getoetst. De rechterlijke macht is een verlengstuk van de communistische partij. Het is dan ook opmerkelijk dat de Nederlandse overheid de laatste tijd met zoveel egards een bewind tegemoet treedt dat de mensenrechten op zo stelselmatige wijze schendt. En dat het streven om de mensenrechtensituatie in China in EU-verband aan de orde te stellen, lijkt te zijn opgegeven. Nog opmerkelijker is het tijdstip. Dit jaar wordt, met sterke Nederlandse steun, in VN-verband de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens herdacht. Slechts weinig landen vechten de universele strekking van de mensenrechten nog aan. Daaronder is China het grootst en meest uitgesproken land.

Dat de situatie van de mensenrechten in China bijzonder slecht is, staat buiten kijf. In 1996 rapporteerde Amnesty International over tweeduizend met naam bekende gewetensgevangenen in dat land. Het feitelijk aantal moet veel hoger zijn. Het aantal mensen in 'administratieve detentie', opsluiting in een werkkamp zonder tussenkomst van een rechter, is ten minste tweehonderdduizend. Jaarlijks constateert Amnesty enorme aantallen executies in China - tweeduizend of meer, ruim tweederde van alle geregistreerde terechtstellingen in de wereld. Verder wordt dagelijks melding gemaakt van marteling, onderdrukking van geloofsvrijheid en geweld tegen etnische minderheden.

In de context van de enorme contracten die onlangs tussen Nederland en China zijn afgesloten, zijn verschillende argumenten naar voren gebracht om de Chinese schendingen van mensenrechten in 'perspectief' te plaatsen.

Ten eerste wordt dan gewezen op de bijzondere, 'confucianistische' traditie van het land, waarin het collectief belangrijker is dan het individu. Daardoor zouden mensenrechten er van minder betekenis zijn. Het is moeilijk te begrijpen hoe zo'n traditie, die trouwens even ver van de huidige Chinese politiek af staat als het Germaans recht van de onze, Chinezen minder gevoelig zou maken voor marteling, of minder dood na een terechtstelling.

Ten tweede: de vermeende recente verbetering in de mensenrechten. Er zijn inderdaad stappen gezet: een uitnodiging aan de VN-Hoge Commissaris voor Mensenrechten, de ondertekening van het VN-verdrag voor sociale en economische rechten, de vrijlating of uitzetting van enkele gewetensgevangenen onder wie Wei Jingsheng. Die stappen waren een directe reactie op consequente buitenlandse druk en hebben vooralsnog voor de Chinese praktijk nauwelijks betekenis. De mogelijkheden van individuele Chinezen, zoals gevangenen of nabestaanden van slachtoffers van het bloedbad van Tian'anmen, om tegen onrecht te protesteren zijn nog even groot als eerder: zo goed als nihil.

Voorts wordt gewezen op de 'stabiliteit' waarvoor de huidige Chinese leiders zouden hebben gezorgd. Door de alomvattende censuur is de werkelijke mate van stabiliteit niet te beoordelen. Wat hooguit aangetoond kan worden is dat de dissidente stemmen, zoals onafhankelijke media, vakbonden en milieugroepen, effectief gesmoord zijn. Corruptie, onveiligheid en gebrek aan rechtsbescherming kunnen daardoor niet aan de orde worden gesteld. De positie van het leger en de commerciële afsplitsingen daarvan, inmiddels ook handelspartners van Nederland, moet onbesproken blijven.

Het bevorderen van handelsbelangen en het uitwisselen van delegaties op het hoogste niveau is een legitiem instrument van staten. Een beleid kan echter ook de grenzen van wat moreel aanvaardbaar is overschrijden. Zo mag de Chinese premier, Li Peng, als staatshoofd worden ontvangen, dit ontslaat hem niet van zijn morele en juridische verantwoordelijkheid voor onder meer de massamoord van Tian'anmen. Het verdrag tegen foltering, nota bene een van de weinige mensenrechtenverdragen die China (net als Nederland) heeft bekrachtigd, bepaalt dat schuldigen van grove schendingen die zich in het buitenland bevinden, door het ontvangende land dienen te worden uitgewezen dan wel berecht.

Het Chinese beleid is steeds geënt geweest op het tegen elkaar uitspelen van buitenlandse regeringen. Vanwege het Amerikaanse mensenrechtenbeleid gaf China lucratieve contracten aan Europa. Nederland heeft vorig jaar, als voorzitter van de Europese Unie, althans éénmaal de Chinese intimidatie getrotseerd door de mensenrechten aan de orde te stellen. Het is precies met dit soort gebaren dat een klein land zich een positie van fatsoen in de wereldgemeenschap kan verwerven. De Nederlandse overheid behoort in het kader van toenemende contacten toenemende druk uit te oefenen ten bate van de mensenrechten. Een minimum is de onafhankelijke rapportage over mensenrechten. Wederzijdse bezoeken kunnen slechts vriendschappelijk zijn voor zover het Nederlands prestige van democratische rechtsstaat daarmee niet onwaarachtig wordt. De handtekeningen die de Nederlandse overheid en bedrijven nu onder contracten met China zetten, mogen geen andere zijn dan de handtekeningen waarmee bewindslieden en particulieren onlangs nog de Universele Verklaring opnieuw hebben bevestigd.