Lijsttrekkers grossieren in losse kreten

Politieke leiders verliezen zich steeds meer in citeerbare soundbites. Hun toespraken worden gekenmerkt door het vrijwel ontbreken van argumenten. Willem Witteveen vindt het dan ook logisch dat steeds meer kiezers gaan zweven.

De toespraken van Demosthenes tot de Atheense volksvergadering zijn hoogtepunten van politieke retoriek. Op basis van de overgeleverde teksten beseffen wij dat hij een groot redenaar was maar we weten niet hoe het publiek de persoon van Demosthenes heeft ondergaan.

Ook in onze cultuur zijn politieke toespraken soms belangrijk. De afgelopen weken hebben de congressen van de grote politieke partijen de verkiezingsprogramma's vastgesteld en lijsttrekkers aangewezen. De toespraak waarin de leider zijn taak aanvaardt, is het startschot van de verkiezingscampagne. Het is een uitgelezen kans om de politieke boodschap van de partij over het voetlicht te brengen. De aanwezigheid van de media zorgt ervoor dat de partijleider zich over de hoofden van het aanwezige publiek tot de kiezers in het land richt. Maar anders dan in het geval van Demosthenes gaat nu vrijwel alle aandacht uit naar de persoonlijkheid van de lijsttrekker, naar zijn stijl, naar zijn lichaamstaal. Uit de teksten wordt hooguit een enkele zin gelicht als citaat of soundbite. De visie van de lijsttrekker blijft in het duister. Dat is reden genoeg om als eigentijdse retoricus eens alleen naar de teksten te kijken.

Gezegd moet worden waar de partij voor staat. Alle lijsttrekkers lijken dit terdege te beseffen. Ze gaan uitleggen waarin 'wij' bijzonder, anders, beter zijn dan 'zij'. Op dit punt zijn de teksten rijk aan retorische technieken. De Hoop Scheffer zoekt het in de voortdurende herhaling van de leus 'samenleven doe je niet alleen'. Als een mantra duikt het geloofsartikel van het gezin op. “Het is niet voor elke partij logisch om met het begin te beginnen. Voor ons wel: het gezin.” Bolkestein hanteert de opsomming van onderwerpen waarop de VVD “de dossiers heeft getrokken. Met 20 procent van de stemmen hebben wij 80 procent van het debat bepaald.” Kok verweeft zijn visie als partijleider met zijn visie als regeringsleider in een verhaal van successen en nieuwe uitdagingen, van “lange adem en verantwoordelijkheidsgevoel”. Borst besteedt vrijwel haar gehele toespraak aan een uitleg van het bijzondere van D66 (“wij hoeven niet op andere partijen te lijken”). Zij koppelt daarbij trefwoorden aan gezichten: redelijkheid is Jan Terlouw, analyse is Hans van Mierlo, en zelf is zij betrokkenheid en pragmatisme.

Maar waar staat de partij nu eigenlijk voor? Het grootste verschil met de klassieke politieke toespraak is het volstrekt uitblijven van stellingen die verdedigd worden met kracht van argumenten. Bij Demosthenes gaat de toespraak ergens over: het publiek moet er nog van overtuigd worden dat het zinvol is om ten oorlog te trekken. Hij anticipeert op te verwachten tegenargumenten. In een klassieke politieke toespraak worden niet alleen veel argumenten gegeven, maar dat gebeurt ook op een gestructureerde manier.

Niets van dat alles is te vinden in de moderne politieke toespraak. Hier regeert de losse kreet, de oneliner. Borst vindt het “niet beschaafd” om de toelating van vluchtelingen te koppelen aan quota, want “mensen zijn geen vissen”. Een mooie metafoor, maar redenen worden niet gegeven waarom het verwerpelijk is om quota te hanteren. “Het CDA”, zegt De Hoop Scheffer ferm, “wil helder stelling nemen. Grenzen trekken. Duidelijkheid bieden. Gedogen blijkt een heilloze weg. Maakt de overheid ongeloofwaardig.” Maar wat bedoelt de lijsttrekker met dit staccato van uitspraken? Moeten het drugsbeleid en het milieubeleid misschien totaal op de helling? Zo zijn er legio voorbeelden te geven. Alleen Bolkestein geeft argumenten bij zijn stellingen. Maar ook hij houdt het kort. “Wij zien de vergrijzing niet als een probleem maar als een uitdaging. Wij houden Nederland jong.” Mooi gezegd, maar hoe maak je van een probleem een uitdaging? Daar lezen we niets over, want het volgende onderwerp is al aan de beurt. Alle lijsttrekkkers maken van hun toespraken een soort mini-troonredes waar de belangrijkste beleidsterreinen even worden aangedaan. Daar word je als lezer niet veel wijzer van.

Over de meeste onderwerpen zijn de partijen het roerend met elkaar eens. De Hoop Scheffer is voor “een land waarin iedereen veilig over straat kan”. Bolkestein “maakt zich zorgen over geweld op straat, gebrekkig optreden van justitie en politie, afbrokkeling van normen en waarden”. Uiteraard vindt ook Kok dat “iedereen zich veilig moet kunnen voelen”. Hij wil er dan ook “samen met de bewoners van ons land, alles aan doen om de sociale samenhang te versterken, te bevorderen dat we meer respect en verantwoordelijkheidsgevoel hebben voor elkaar”. Zou iemand het daarmee oneens zijn? “Eigenlijk heb ik ik het dus over normen en waarden”, voegt hij eraan toe, aldus handig een favoriet thema van het CDA naar zich toetrekkend.

Na lezing van de toespraken van de lijsttrekkers kan dan ook alleen maar geconstateerd worden dat de journalisten die slechts naar citaten en soundbites zoeken, het grootste gelijk van de wereld hebben. De campagneteams hebben gezorgd voor een pap die geheel bestaat uit krenten. Waarschijnlijk is de gedachte dat het loont om veel citeerbare uitspraken te doen; iets daarvan zal wel de krant of de televisie halen. De prijs voor deze strategie is dat het verhaal als geheel geen samenhang heeft en er niet één duidelijke boodschap uit naar voren komt. Het is eigenlijk niet verwonderlijk dat het deze vier politieke leiders niet lukt om de eigen partij inhoudelijk van de andere partijen te onderscheiden. Niet alleen de kiezers zweven, ook de lijsttrekkers zweven voorbij, ijverig de borrelpraat verwoordend die, naar de indruk van de campagnevoerders, de mensen bezighoudt. Zo wordt de politiek er niet overzichtelijker op en wordt het niet makkelijker om als kiezer met zweven te stoppen.

De enige echt aardige grap in de toespraken is een uitspraak van Bolkestein. “Ja, en dan Kok, Kok en nog eens Kok. Zwijgend zweeft hij boven de partijen. Vooral boven zijn eigen PvdA. Zou ik ook doen, als ik hem was.” Er is ongetwijfeld om gelachen in de toch al vrolijke ambiance van het VVD congres. Maar Bolkestein zweeft allang boven partij en kiezers en De Hoop Scheffer en Borst draaien even vrolijk mee in deze carrousel.

De politieke leiders van dit moment zoeken hun kracht niet in overtuigingskracht. Hun gezamenlijke aanpak laat de kiezers geen inhoudelijke keuze. Als dit de politieke leiders waren van de Atheense polis zou het publiek naar huis gaan en zich afvragen waarom alle sprekers voor of juist tegen de oorlog waren, zonder erbij te zeggen waarom de beslissing de ene of de andere kant moest uitvallen. Deze benadering van de kiezers, die we zonder meer paternalistisch kunnen noemen en die in strijd is met alle tirades over verantwoordelijk burgerschap, komt heel fraai naar voren in de knapste retorische manoeuvre uit de toespraak van Kok. Aan het slot van zijn rede voert Kok een denkbeeldige studente op uit het jaar 2020, “een jonge vrouw die deze zomer nog geboren moet worden”. Voor haar scriptie over geschiedenis vraagt ze aan Kok wat er bij deze verkiezingen op het spel stond. Ging het om de groei van de economie? Om het milieu? Waarom wilde Kok eigenlijk proberen “voor volgende generaties een leefbaar land na te laten”? Een retorische vraag, want de motivatie om het goede na te streven is elke politicus ingeboren. Kok geeft dan ook geen antwoord aan de denkbeeldige studente, maar richt zich tot de kiezers en vraagt vertrouwen. Zo zweven de kiezers voor het geestesoog van onze leiders: als burgers die eigenlijk pas over 20 jaar écht willen weten wat er te beslissen stond, omdat ze nu nog pas de status hebben van mensen die nog geboren moeten worden.