Laat honderd talen bloeien

TACHTIG PROCENT van de vijfjarige kinderen die de kindercentra in de Noord-Italiaanse stad Reggio Emilia bezoeken leert uit zichzelf lezen en schrijven. Als ze gefascineerd raken door de grafische symbolen van het letterschrift krijgen ze niet alleen voorbeelden van het Latijnse alfabet aangeboden, maar ook van het Russische, Hebreeuwse en Griekse schrift. Lees- en schrijfmethodes komen er niet aan te pas. Kinderen gaan zelf op ontdekkingsreis door de complexe wereld van de geschreven taal en ontdekken dat het één van de manieren is om jezelf uit te drukken.

In Reggio Emilia gaan ze ervan uit dat een kind vanaf zijn geboorte over 'honderd talen' beschikt om zichzelf uit te drukken zoals muziek, dans, beweging, gebaren, toneel, poppenspel, klei, papier, gesproken en geschreven taal. “Volwassenen hebben de neiging deze talen van het kind de kop in te drukken omdat ze ze zelf grotendeels zijn kwijtgeraakt”, zegt Annemieke Huisingh van de Stichting Pedagogiekontwikkeling voor het jonge kind. Het pedagogisch gedachtengoed dat de afgelopen veertig jaar in de kindercentra van Reggio Emilia tot bloei is gekomen is de inspiratiebron voor de Stichting die Huisingh samen met Margot Meeuwig in 1995 heeft opgericht.

Vorige week werd in het Stedelijk Museum een tentoonstelling geopend waar bezoekers kunnen zien hoe kinderen tussen nul en zeven jaar in Reggio Emilia de wereld om hen heen ontdekken en zelf vorm geven in onder meer tekeningen, bouwwerken, natuurkundige experimenten, fotografie, klei- en draadobjecten. Samenwerking tussen de Stichting Pedagogiekontwikkeling, het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Stedelijk Museum leidde tot deze inspirerende expositie. De stichting van Huisingh en Meeuwig houdt tot 29 maart bovendien een programma met lezingen en symposia waar pedagogen, kunstenaars en wetenschappers uit Reggio Emilia over de bijzondere pedagogische aanpak in de kindercentra komen vertellen.

Er is alle reden om eens goed na te denken over de pedagogische fundering van de Nederlandse kinderopvang en de kleutergroepen van de basisschool, vindt Huisingh. Tot die conclusie kwam ze al toen ze in 1994 secretaris was van de Commissie Kwaliteit Kinderopvang die de toenmalige minister moest adviseren over de aanzienlijke uitbreiding die deze sector te wachten stond. “Er werd alleen in management-termen over de kinderopvang gesproken. Hoeveel leidsters erbij moesten komen, welke uren de kindercentra open moesten zijn, hoe veiligheid en hygiëne gegarandeerd konden worden. Over de pedagogische ideeën, wat je met de kinderen doet, ging het niet.”

Toch liggen er impliciet wel allerlei denkbeelden ten grondslag aan de manier waarop in Nederland met jonge kinderen wordt omgesprongen. “Ze worden in de praktijk beschouwd als afhankelijke wezens die door volwassenen allerlei kennis in hun hoofd gegoten krijgen, zodat ze op hun beurt ook verstandige grote mensen zullen worden”, legt Huisingh uit.

“Daarbij wordt uitgegaan van bepaalde, weinig moderne opvattingen van de ontwikkelingspsychologie. Die heeft ooit beschreven hoe kinderen zich ontwikkelen, maar deze is gekanteld en een soort maatstaf geworden voor hoe kinderen zich behoren te ontwikkelen. Er bestaan heel gedetailleerde lijsten met eisen waaraan kinderen op een bepaalde leeftijd moeten voldoen. Ze worden op steeds jongere leeftijd getoetst en gemeten.”

Huisingh weigert in termen van behoeftigheid en achterstand te spreken, omdat op die manier het rijke scala van capaciteiten van een kind wordt versmald tot wat de school eist. Of, om met de woorden van de grote inspirator van de Reggio Emiliaanse pedagogiek, Loris Malaguzzi, te spreken: van de honderd talen die kinderen tot hun beschikking hebben worden er 99 afgeleerd.

Kinderopvang in Nederland heeft nog te veel het karakter van een stalling, waar men zich op basis van schema's bezighoudt eten, slapen, spelen. “Maar wat kinderen werkelijk doen als ze spelen, daar wordt nauwelijks op gelet”, zegt Huisingh. “Het is tijd vullen en als de tijd om is wordt alles opgeruimd. Leidsters die naast kinderen gaan zitten om ze te observeren ervaren dat als niks doen.” Volwassenen die met jonge kinderen werken zijn gedegradeerd tot oppassers, ruziebeslechters en ordebewakers. Daar valt ze niet te verwijten, benadrukt Huisingh, dat is zo gegroeid, ze hebben niets anders in handen. Als kinderen worden geobserveerd gaat het altijd in ontwikkelingspsychologische termen: gedrag, motoriek, sociale capaciteiten, taalgebruik. Zelden gaat het over de wereld van de fantasie, de verbeelding, de creativiteit, de wil om dingen te onderzoeken en zelf vorm te geven.

“Het beeld van wat kinderen kunnen wordt daarmee wel heel erg smal”, concludeert Huisingh. “Ik heb in een crèche eens aan de leidsters gevraagd om vijf minuten bij een groepje kinderen te gaan zitten en op te schrijven wat ze zagen en hoorden. Een van de leidsters kwam na afloop in tranen bij me. Er was een jongetje wiens vader zojuist was overleden, maar hij wilde daarover niet praten en iedereen maakte zich daar zorgen over. Wat bleek? Z'n hele spel ging over de dood van zijn vader. En niemand had het door.”

In de kindercentra van Reggio Emilia wordt ervan uitgegaan dat kinderen vanaf hun geboorte leren, dat ze de kracht en de creativiteit hebben om zelf de wereld te ontdekken. Volwassenen vervullen daarbij de rol van coach. Leidsters, pedagogen en kunstenaars observeren de kinderen nauwkeurig en leggen dat vast, ze volgen de kinderen in hun wens om dingen te onderzoeken. Op de tentoonstelling in het Stedelijk Musem is te zien hoe complex en veeltalig de zaken zijn die heel jonge kinderen onderzoeken. Ze gaan de stad in om te ontdekken wat een menigte is. Ze kleien een menigte en zetten er een spiegel achter om het effect te verdubbelen. Maar ze leggen ook op een cassetterecorder het geluid van de menigte vast. Daarna gaan ze de geluiden zelf op muziekinstrumenten uitvoeren en ze tekenen partituren van deze muziek. Vier- en vijfjarigen denken na over de vraag hoe het met je identiteit is gesteld in een menigte en maken daar tekeningen over. Als er goed geluisterd wordt, blijkt hoe diepgravend de vragen zijn die jonge kinderen stellen en hoe belangrijk deze vragen zijn om de wereld te leren kennen. Hoe kan het dat een boom stil blijft staan, terwijl zijn schaduw zich telkens verplaatst? Kun je loskomen van je eigen schaduw? Heeft schaduw kleur? Hoe meet je een tafel op als je nog geen weet hebt van centimeters?

In de kindercentra van Reggio Emilia is het dagelijks leven één grote ontdekkingsreis. “Dit bleek voor ons een belangrijke inspiratiebron”, zegt Huisingh. “Hier lag het bewijs dat het anders kon.” Op een Amsterdamse crèche is inmiddels in samenwerking met het Amsterdams Fonds voor de Kunst een eerste proefproject van start gegaan, een tweede crèche volgt binnenkort. Huising hoopt dat haar stichting binnen enkele jaren uitgroeit tot een experimenteercentrum waar praktijk, wetenschap, opleiding samenkomen.

De tentoonstelling De kinderen van Reggio Emilia is tot 12 april te zien in het Stedelijk Museum. Informatie over het lezingenprogramma: 020-6228655