In de Eerste Wereldoorlog bloeide de Russische gemeenschap in Rotterdam; Kameraden op klompen

In Rotterdam speelde de strijd tussen Russische Witten en Roden zich begin deze eeuw in het klein af. De CPN hielp honderden kameraden de grens over om mee te vechten met het Rode leger, blijkt uit de onlangs uit Moskou vrijgegeven archieven van de Nederlandse communist David Wijnkoop.

Ze waren ondergebracht in Schiedam en Rotterdam. In barakken, in emigrantenhotel Oranje en bij particulieren. Ze hadden zelfs een eigen dagblad, de in Den Haag uitgegeven Golos Rodiny (De Stem van het Vaderland). De krant bevatte vooral oorlogsnieuws en annonces over het vertier in Rotterdam: Russisch-Poolse variété-voorstellingen in het Thaliatheater en 'gratis badderen in de Stieltjesstraat'.

Ongeveer drieduizend Russen streken tussen eind 1915 en begin 1919 neer in Rotterdam: ontsnapte krijgsgevangenen, soldaten en uitgeweken burgers. Ze kwamen op het neutrale Nederland af dat tijdens de Eerste Wereldoorlog onderdak bood aan tienduizenden vluchtelingen. De Duitsers hadden in de strijd aan het Oostelijk front vanaf 1915 anderhalf miljoen krijgsgevangenen gemaakt. Ze werden over heel Duitsland ingezet als dwangarbeiders in munitiefabrieken en bij de ontginning van braakland, activiteiten waarbij kleine groepjes kans zagen te ontsnappen en de Nederlandse grens over te komen. De burgers of 'civielen' waren vermoedelijk diplomatengezinnen en studenten, uitgeweken uit de Midden-Europese landen die intussen met Rusland in oorlog waren geraakt.

De vergeten episode van het Russische collectief komt aan het licht in het archief van het Nederlandse CPN-Kamerlid David Wijnkoop (1876-1941). Zijn papieren verhuisden begin jaren zestig uit de Amsterdamse bejaardenflat van zijn weduwe naar het Instituut voor Marxisme-Leninisme in Moskou. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam zag met smart dit archief aan zijn neus voorbijgaan naar de concurrent, die het decennia lang gesloten hield. Maar de afgelopen twee jaar arriveerde op het IISG - in verschillende etappes en vermoedelijk nog steeds niet compleet - een kopie van het Wijnkoop-archief, in de vorm van twintig rollen microfilm.

Twee aan het Russische gezantschap verbonden comités zorgden voor huisvesting,voeding en zo mogelijk repatriëring: de Officiële Commissie tot Hulp aan Russische Vluchtelingen en het Russisch Comité voor uitgeweken Krijgsgevangenen. Hier zwaaiden de uit het tsaristische leger overgeschoten kolonel d'Aoué en kapitein Savitski de scepter. Ook na de ineenstorting van het tsarenrijk eind 1917 bleven ze dat nog geruime tijd doen. Alleen kwam van het ancien régime uit Rusland nu geen cent meer binnen, zodat de Nederlandse regering zich tandenknarsend genoopt zag de verzorging van de Russische vluchtelingen over te nemen. Ooit hoopte men daarvoor in Moskou nog eens de rekening te presenteren.

Het daadwerkelijke beheer en de verdeling van het Nederlandse geld - twee gulden per persoon per dag - bleef via de twee tsaristische comités lopen. In 1918 voegde zich daar een derde comité bij, maar nu uit geheel andere hoek: het door de CPN opgerichte Sowjet-Komité voor Russen in Nederland. De CPN zocht naar geestverwanten in deze groep vluchtelingen en ondersteunde hen met geld uit Sovjet-Rusland om ze terug te helpen naar het vaderland. Daar was in het voorjaar van 1918 een burgeroorlog uitgebroken, waarvan de verre echo in Rotterdam doorklonk. De tsaristische comités probeerden hun klanten met een konvooi over de Noordelijke IJszee naar Moermansk mee te sturen om daar met de Witten tegen de Roden te strijden. Het CPN-comité daarentegen stuurde 'zijn' mensen over land, geholpen door de Duitse kameraden, om de Rode legers te versterken. De Russen-comités in Nederland voerden hun eigen strijd in de pers en betichtten elkaar van infame propaganda en misleiding.

Crimineel

De Rotterdamse politie beschouwde de Russen voornamelijk als een bedreiging van de veiligheid. Ze waren regelmatig betrokken bij inbraken en winkeldiefstal. Agenten probeerden nauwlettend te volgen wat er mogelijk aan revolutionaire ideeën broeide, waarbij zich een serieus taalprobleem voordeed.Een door twee Russen beraamde aanslag op koningin Wilhelmina bleek na enig onderzoek een vals gerucht. Van tijd tot tijd vergaderden de Russen in het Algemeen Verkooplokaal aan de Goudsche Singel. Maar waaróver eigenlijk? De hoofdcommissaris probeerde uit onmacht 'alle vergaderingen waarin geen Nederlands, Frans, Duits of Engels wordt gesproken' te verbieden, maar dat, zo remde de procureur-generaal vanuit Den Haag hem af, vond geen ondersteuning in de wet. Vooral de voormalige krijgsgevangenen werden tot de heffe des volks gerekend: haveloos en vuil, onder de luis en geneigd tot diefstal en alcoholmisbruik. Jaarlijks hield de politie er tientallen aan wegens kleine criminaliteit of openbare dronkenschap.

In oktober 1918 was communistisch partijleider David Wijnkoop door de Sovjet-Russische regering tot haar officiële vertegenwoordiger benoemd. Nederland had het nieuwe regime niet erkend, zodat Wijnkoop althans in eigen land geen enkele status genoot. Hij stond in verbinding met Adolf Joffe in het Russische gezantschap in Berlijn en ontving, nu eens uit Berlijn dan weer uit Stockholm, geld en diamanten. Een deel daarvan was bedoeld om de bolsjewieken onder de vluchtelingen te steunen. In november 1918 telegrafeerde Wijnkoop naar Stockholm daarvoor 400.000 gulden nodig te hebben.

Rekende hij àlle Russen tot zijn clièntele of had hij een overspannen idee van de bolsjewistische aanhang? Uit het archief blijkt wel wat de Nederlandse communisten vroegen, maar niet wat ze precies ontvingen. Dat het om niet geringe bedragen ging, is niettemin uit indirecte informatie en krabbels duidelijk. Het aan de CPN verbonden Sowjet-Komité voor Russen in Nederland zorgde voor de vermeende kameraden.

'Wij denken over een week plusminus duizend soldaten over de grenzen geholpen te hebben. Verzoek om geld' schreef het Komité begin 1919. Een handgeld van vijftig gulden per persoon was gebruikelijk. Oud-CPN'er Dirk Struik was betrokken bij de verdeling van het geld. Het leverde hem nogal wat kopzorg op en hij was soms te goed van vertrouwen. Sommige personen zetten de harde guldens direct in alcohol om. 'Er zijn weer talloze Russen aan mijn deur geweest, allemaal met een verzoek om geld', meldde hij destijds aan een geestverwant. 'En dan schiet ik dat maar weer voor, anders kom ik niet van ze af. Geef mij eens een voorschot!'

Op 21 mei 1918 richtte de bolsjewiek Lazarevitsj, meevarend op internationale revolutionaire golven, in Rotterdam een Sovjet (arbeidersvertegenwoordiging) op. Behalve Lazarevitsj zelf zaten er nog negen personen in. Ze eisten in een manifest invloed op de beide officiële comités. Die konden zich immers niet langer op enig gezag in het thuisland baseren. Hoe kwam die Sovjet precies tot stand, was hij gekozen of had men zichzelf benoemd, en wat gebeurde er verder mee? Oud-CPN'er Dirk Struik, 103 jaar oud, bewaart nog twee schriften van de 'klassebewuste kerel' Lazarevitsj, maar helaas kan hij die niet meer vinden. Bekend is wel dat al op 30 mei alle tien leden door de politie werden gearresteerd en afgevoerd. Niet, zoals tot dan toe gebruikelijk was, naar een schip speciaal voor Russische gevangenen midden in de Rotterdamse Parkhaven, maar naar een gloednieuw gevangenkamp in het Noord-Hollandse Bergen. Daar was ruimte genoeg.

In het vroege voorjaar van 1918 waren in een Bergense wei barakken gebouwd en verrees het Vluchtoord Bergen, Depot voor Duitsche Deserteurs. Het kamp huisvestte behalve die deserteurs ook criminelen, politieke gevangenen en onduidelijke randfiguren. In totaal konden er zevenhonderd man in. De bewaking van het kamp was aan vierhonderd Nederlandse soldaten toevertrouwd. Het gezag werd gevoerd door tien officieren met een bedenkelijke reputatie. De bevelhebbend majoor is een verschrikking, zo klaagden de communisten: 'Hij is Indië gewend, dat bruine sloebers voor hem kruipen.' De luitenant voor de Russische afdeling was een mislukte politie-inspecteur met te losse handen.

Aardappelsoep

Het was in Bergen geen vetpot, het rantsoen schommelde rond de 1.750 calorieën per dag, genuttigd in de vorm van brood en aardappelsoep. Een deel van de gevangenen werkte in de duinen van Staatsbosbeheer. De gevreesde provooststraf overkwam vooral de bolsjewieken regelmatig. Men mocht dan lezen noch schrijven en zat zonder sanitaire voorzieningen met een of twee anderen in een krappe cel. Struik en een partijgenoot uit Alkmaar stopten af en toe kippenboutjes, kaas en sigaretten door het prikkeldraad. Ontvluchtingen waren aan de orde van de dag. De Sovjet-leider Lazarevitsj zelf ontsnapte in oktober 1918 en werd eind dat jaar door Nederlandse communisten de Duitse grens over geholpen.

Over de toestand in Bergen vroeg Wijnkoop halverwege 1918 een interpellatie in de Kamer aan. De minister van Binnenlandse Zaken, C.J.M. Ruys de Beerenbrouck, traineerde de zaak zo lang dat het er pas eind november van kwam. Intussen was er op internationaal niveau nogal wat gebeurd, zodat niemand behalve Wijnkoop de urgentie van het vluchtelingenprobleem meer zag. Aan het Oostelijk front was in maart 1918 vrede gesloten, begin november 1918 volgde de wapenstilstand met de geallieerden. In Duitsland was de revolutie uitgebroken, alom hadden 'de soldaten met hun benen voor de vrede gestemd', zoals een gevleugelde uitspraak van Lenin luidde. De Duitse keizer was naar Nederland gevlucht. Voor hem geen barak in Bergen maar een villa in Doorn.

Wijnkoop fulmineerde in de Kamer niet alleen tegen het ontbreken van een rechtsgrond voor opsluiting in Bergen, maar klaagde ook dat de gevangenen op klompen moesten lopen. Zijn motie, die onmiddellijke invrijheidstelling van de Russen en een commissie van onderzoek naar Bergen eiste, maakte geen schijn van kans. De sociaal-democratische afgevaardigde J.H. Schaper merkte daarbij op dat dan 'een menigte op onze bevolking wordt losgelaten waar die bevolking helemaal geen trek in heeft'. Armoedig gezwets van een burgermannetje', snibde Tribune-redacteur Gerard van het Reve.

'De hel te Bergen stroomt leeg' kon de Tribune eind november 1918 al melden. De Duitse deserteurs werden toen vast vrijgelaten, maar met de dan resterende Russen wachtte men nog even totdat de repatriëring geregeld was. Een maand later konden ze zich, begeleid door politie-escorte, bij hun landgenoten in Rotterdam voegen. De Nederlandse regering had drie schepen gecharterd om de hele Russische kolonie af te voeren. De bestemming was Danzig, maar niet iedereen geloofde dat zo maar. Er gingen onder de voormalige krijgsgevangenen wilde geruchten dat het konvooi eenmaal op zee naar het door de Witten beheerste Moermansk zou koersen. De alternatieven: illegaal in Nederland blijven of met hulp van Wijnkoops Sowjet-Komité over Duitsland terug naar de chaos, waren evenmin aantrekkelijk. De 3.500 vluchtelingen die uiteindelijk op 7 januari 1919 op de kade op inscheping stonden te wachten, waren dan ook min of meer vrijwillig gekomen. Toen een verslaggever van Golos Rodiny vroeg naar hun idee over de toekomst, antwoordden ze: 'Onderweg naar huis rusten we lekker uit en dan zien we wel weer verder'. De Santa Fe, de Warburg en de Almeria vertrokken uit de Rotterdamse haven met een Hollandse bemanning, marechaussee aan boord en de Rode Kruis-vlag in top. Was er vanaf Danzig iets regeld voor de vluchtelingen? De bronnen zwijgen verder, de Russen verdwijnen uit het zicht. Voor Nederland was het probleem de wereld uit.