'Het gaat altijd over mij'

Sinds vorige week is Boudewijn Büch terug met een nieuwe reeks reisverslagen uit zijn wereld. “Een rare man op een eiland, met een grote bibliotheek, dat vind ik fantastisch.”

Al meer dan vijfentwintig jaar reist Boudewijn Büch de wereld over in het voetspoor van zijn helden Johann Wolfgang von Goethe, Rupert Brooke en Robert Louis Stevenson, of gewoon op zoek naar bijzondere plaatsen en verre eilanden. Daarover maakte hij radioprogramma's voor KRO en VPRO en vanaf 1985 resulteert het in tv-programma's voor de VARA, sinds 1988 met de titel De Wereld van Boudewijn Büch (1988). Büch is zo ongeveer de helft van het jaar voor op reis in het buitenland.

Het bracht hem al een keer of honderd in de Verenigde Staten. Vorig seizoen bijvoorbeeld in het provinciestadje Amarillo - waar niets was dan de herinnering aan een vlot liedje met die titel. Büch maakte zelfs dáár een memorabele uitzending. Hij liet zien hoe hij zelf een onderwerp werd op de lokale televisie, door een jeugdkoor uit het stadje Show me the way to Amarillo te laten zingen.

Ook deze nieuwe reeks brengt hem naar Amerika, waar hij het Andy Warhol-museum bezoekt. Niet omdat daar iets bijzonders gebeurt, maar gewoon om dat Büch Warhol verzamelt. Het hoort bij zijn wereldje en zijn fascinaties zijn wat het programma de kijker te bieden heeft. Plus wat zijn schermverschijning daar aan toevoegt: een klein, fel, wat slonzig mannetje in vrijetijdskleding tussen cultuurschatten op vaak verre plaatsen. Met steeds een zoekende, soms plagerig geamuseerde blik. Een gids die vaak opgewonden in beeld verschijnt en een camera die volgt waar de oogjes van Boudewijn speuren.

En steeds is er die enorme feitenkennis en dat aanstekelijke enthousiasme voor een detail uit de marge van de geschiedenis. “Dit zijn de echte pantoffels van de keizer, maar je mag er niet aankomen”, zei conservator D. Verroen van Huis Doorn (waar de afgetreden Duitse keizer Wilhelm II van 1918 tot zijn dood 1941 verbleef) in de uitzending van woensdag. Büch zat er op zijn knieën voor. “Ook niet een beetje zo?” En met zijn vingers streek hij erover. “De echte pantoffels van de keizer...”

Het programma heet De Wereld van Boudewijn Büch en die wereld bestaat voor een belangrijk deel uit hem zelf. “Mensen denken dat het over keizer Wilhelm II gaat, of over Goethe, maar het gaat altijd over mij. Het is een cultureel programma in de hele brede zin van het woord. Wat ik cultuur vind.” Hij maakt er spannende televisie over waarbij vooral de persoon Büch al meer dan honderd afleveringen lang voor eenheid zorgt.

Hij erkent dat zijn tv-persoonlijkheid belangrijk is, maar maakt bezwaar tegen een vergelijking met andere programma's volgens die formule. “Ik heb wat te vertellen! En de meeste tv-personen niks. Dat is het probleem in Nederland, driekwart van de presentatoren bestaat uit randdebielen die worden volgestopt met informatie die ze niet begrijpen.”

Wat hij in twee afleveringen van 25 minuten van Wilhelm II laat zien is geen diepgravende biografie. Die pretentie heeft Büch ook niet. “Het zijn aanzetten. Van kijk er zo eens naar. En natuurlijk heb ik het ook ergens vandaan.” Hij vond dat er te weinig bekend was over het volgens hem unieke Huis Doorn. Hij mocht er tot op de rommelzolder filmen en zo kwamen we te weten dat de keizer zijn ene arm korter was dan de andere, zagen we de collectie uniformen, de stoel met een zadel als zitting, maakten we kennis met het nog levende petekind dat bij Wilhelm op schoot had gezeten, en zagen we dat de keizer bij voorkeur at met een vorkmes zoals je dat bij frikandellen krijgt. Maar ook legt hij uit hoe we een brief van Wilhelm uit 1940 aan Hitler moeten begrijpen.

Prachtige televisie, al laat wat de kijker er van vindt, Büch volkomen koud. “Als ze het me willen vertellen, loop ik weg. Ik fiets in Amsterdam met mijn hoofd naar beneden. Mensen die me aanspreken, daar zeg ik één keer tegen val me toch niet lastig en als ze doorgaan, sla ik ze voor hun bek of zoiets. Ik ben geïnteresseerd in een krankzinnig bestel van feiten. Ik ben gek op reference, ik wil alles over iets weten, en het liefst ook zelf bezitten thuis. En dat krankzinnige bestel van feiten, daar is blijkbaar een groep kijkers voor.”

Hij maakt het programma evenmin met de bedoeling dat mensen hem na kunnen reizen. “Het vierlandenpunt in Oklahoma, wie wil daar nou heen? Ik hoop alleen maar dat de kijkers beseffen dat de wereld groter is dan ze dachten. Wat dat betreft ben ik misschien een beetje een schoolmeester.”

De kijker moet zijn mond houden en ook de Vara mag niet zeuren. “Nee, ze krijgen geen opzetje vooraf. Ze kijken er maar naar op televisie.” Toch blijft die omroep hem de ruimte bieden, al is het minder geworden. Twee jaar geleden zat hij nog op de late avond met vijftig minuten, soms meer, nu is het 25 minuten prime-time op woensdag.

“Ik vind dat een belachelijke tijd. Dan moet je een spelletje doen of iets leuks. Maar goed, ik heb daar geen invloed op. Laat op de avond zit Paul de Leeuw of Jack Spijkerman en die scoren veel meer.” Door de korte tijd gaat een geplande uitzending over Spinoza niet door. “Spinoza in 25 minuten vind ik onverantwoord. Ik wacht wel tot ergens een gaatje van veertig minuten is.”

Ondanks de kleinere ruimte voelt hij zich bij de Vara thuis. Na een uitzending over Goethe vorig jaar vroeg directeur Vera Keur hem voor seizoen 98/99 een serie van veertien afleveringen 'Goethe op reis' te maken. “Een omroep die dat vraagt, kan niet slecht zijn. Dat vind ik echt fantastisch.”

De Vara zegt dat het vooral om praktische redenen is dat Büch nu vroeger op de avond en korter is. Ze vinden zijn programma nog steeds belangrijk voor de omroep en wijzen op de ruime schare trouwe Büchkijkers. Deze woensdag, met op Nederland 2 de huldiging van de schaatskampioenen (2 miljoen kijkers) tegenover zich, trok Büch 270.000 kijkers. Vorig seizoen was het gemiddeld 305.000; de nieuwe serie begon vorige week met een piek van 350.000 kijkers.

Het interesseert hem niet. “Dat is geen koketterie, maar ik houd me daar niet mee bezig. Dit is het eerste interview over het programma in drie jaar. Ik heb niets te vertellen, ik heb me zelf niet te promoten. Ik vind tv-maken wel leuk, ergens heen gaan. Hoewel met die camera erbij is best wel rottig hoor, maar dat moet. Ik heb niet iets, nooit gehad ook, van schrijven 'ha fijn', of 'ha fijn radiomaken!' Voor mij is het allemaal gewoon werk. Wat ik nu doe vind ik nog het aardigste. Een roman schrijven, ik denk dat ik het niet meer red. Maar als ze morgen een contract zouden geven voor 200 uitzendingen, dan zou ik meteen tekenen. Omdat ik nog zoveel plekken weet. Oooh, het gaat eindeloos door.”