Fletse doeners besturen Amsterdam

Amsterdam staat er beter voor dan vier jaar geleden. Maar het stadsbestuur lijkt geen kweekvijver meer voor politiek talent dat kans maakt landelijk door te breken.

AMSTERDAM, 28 FEBR. “Onaanvaardbaar” was het dat Amsterdam 80.000 werklozen had. Vier jaar geleden schreven de Amsterdamse collegepartijen PvdA, VVD en D66 in het programakkoord “hun hoogste opgave” te zien in de bestrijding van de werkloosheid. Amsterdam had in vergelijking met de jaren dertig twee keer zo veel werklozen en daar moest toch echt iets aan gebeuren.

Het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders is met zijn belangrijkste doelstelling geslaagd, maakte wethouder Van der Aa (Sociale Zaken) deze week niet zonder trots bekend. 'Tienduizend mensen aan de slag' met een Melkert-baan, was het doel van B en W. Dat is gelukt, het zijn er al 11.500. Wat niet betekent dat de werkloosheid met eenzelfde aantal is afgenomen. De stad telt nog altijd ruim 75.000 werklozen.

De gunstige werkgelegenheidsontwikkeling heeft Amsterdam vooral te danken aan minister Melkert (Sociale Zaken) en aan een gunstige economie. Toch heeft wethouder J. van der Aa volgens voorzitter H. Kamps van de arbeidsvoorziening in Amsterdam het goed gedaan. “Erg betrokken en een hard onderhandelaar richting arbeidsbureau”, zegt Kamps. Volgens hem is het vertrekkende college misschien wat minder idealistisch dan voorgaande, maar is het wel zo realistisch.

Realisten, doeners, maar flets, volgend en zonder visie, zijn de kwalificaties die over dit college van B en W te horen zijn. PvdA-wethouder Van der Aa (Onderwijs en Sociale Zaken) is sluw en slim, maar hij is bescheiden in zijn presentatie. Hij is volop bezig de kwaliteit van het onderwijs op te krikken, maar dat gaat langzaam en moeizaam. Ook probeert hij al vier jaar een reorganisatie bij de sociale dienst te volbrengen, een al even weerbarstige zaak.

PvdA'er D. Stadig (Ruimtelijke Ordening) is een scherpe verdediger van de sociale woningbouw, maar moet het voor een visie vooral van anderen hebben. Voor het samenstellen van zijn toekomstverkenning HUB Amsterdam heeft hij een denktank ingeschakeld met onder anderen oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg en publicist Herman Vuijsje.

Partijgenote G. ter Horst krijgt waardering voor de manier waarop ze de 'openbare ruimte' heeft aangepakt, onder meer door een begin te maken met het verwijderen van 'Amsterdammertjes' van de grachten. Wel had ze een jaar eerder kunnen ingrijpen bij het noodlijdende Gemeentevervoerbedrijf (GVB).

D66-wethouder Van der Giessen toont zich nauw betrokken bij de drugsproblematiek, haalde het experiment voor vrije heroïneverstrekking naar Amsterdam en opende onlangs gebruikersruimten voor verslaafden. Maar in het openbaar opereert ze chaotisch en emotioneel. Dat chaotische geldt ook voor D66'er E. Bakker, sinds kort burgemeester van Hilversum. Hij kreeg de Noord-Zuidlijn er door. Maar vóór het referendum over deze metrolijn verzekerde hij dat de financiering rond was. Bij het uitkomen van de Rijksbegroting in september 1997 bleek dit niet het geval.

VVD'er E. Peer (Financiën) wordt gezien als een talentvolle, ietwat populistische wethouder, maar hij vertrekt naar het bedrijfsleven. P. Krikke, ook VVD, was slechts anderhalf jaar verantwoordelijk voor economische zaken, loste een conflict op met havenpool-arbeiders, maar kreeg scherpe verwijten van de raad over de rommelige besluitvorming rond de Afrikahaven waardoor er geen referendum over de aanleg meer mogelijk bleek. Ze geldt meer als uitvoerder dan als bedenker.

Het Amsterdamse stadsbestuur lijkt geen kweekvijver meer voor politiek talent dat kans maakt landelijk door te breken. Bij een beoordeling over wethouders vallen bij critici vaak namen van illustere voorgangers als M. van der Vlis, E. Heerma, G.J. Wolffensperger en J. Schaefer. “Een man als Schaefer moest misschien wel eens een oorspronkelijk idee aanpassen, maar hij was wel een inspiratiebron voor de stad. Dat mis ik nu”, zegt oud-hoogleraar sociale geografie W. Heinemeijer. De wethouders tobben met hun relatie met de bevolking, vindt planoloog M. van den Berg. “Ze slaan niet de goede toon aan. Het stadsbestuur is wantrouwend.”

Oud-directeur W. van der Kolk van de Kamer van Koophandel is positiever. Het economische beleid is goed geweest. Nieuwe bedrijven, zoals Philips, zijn volop binnengehaald, de haven doet het goed. Alleen aan de bereikbaarheid van de binnenstad is te weinig gedaan, vindt Van der Kolk. De collegepartijen hadden het tegengaan van de leegloop van de binnenstad door bedrijven ook als een van de speerpunten. Maar het was wethouder Stadig die na twee jaar al aangaf dat weinig aan die tendens te doen was.

Amsterdam staat er toch in vergelijking met vier jaar geleden beter voor. Armoede is nog alom aanwezig, maar de werkgelegenheid is verbeterd, de woningbouw in het Oostelijk havengebied is in trek, de kantorenlocaties langs de Zuidas en rond het Amstelstation floreren, en de zuidelijke IJ-oevers komen mede door de aantrekkingskracht van New Metropolis tot ontwikkeling.

Amsterdam wordt wel een zondagskind genoemd. Dienstverlenende bedrijven komen haast vanzelf, op cultuurgebied is de stad nog altijd toonaangevend en de monumentale binnenstad oefent grote aantrekkingskracht uit op toeristen. Juist in deze tijd van economische rugwind zou het stadsbestuur scherp de ontwikkeling van de stad op de langere termijn in de gaten moeten houden en moeten sturen, vinden critici. En dat heeft dit college te weinig gedaan.

Met de Noord-Zuidlijn, de railverbinding richting de nieuwe woonwijk IJburg, een grondige verbouwing van het gebied rond het Centraal Station en een tweede Coentunnel heeft Amsterdam ambitieuze plannen. Dat de financiering van de Noord-Zuidlijn na het referendum helemaal niet rond bleek te zijn, geeft planoloog Van den Berg nog steeds “een wrange bijsmaak” in de mond. “De verlangens van Amsterdam richting Den Haag tuimelen over elkaar heen”, zegt hij. Ook Van der Kolk vindt dat de lobby richting Den Haag veel beter had gekund.

Drie referenda markeren de afgelopen raadsperiode in Amsterdam. De vorming van een stadsprovincie werd weggestemd. Maar de plannen voor de Noord-Zuidlijn en IJburg konden wel doorgaan, hoewel een ruime meerderheid tegen beide projecten was. De gemeenteraad had namelijk een hoge opkomstdrempel (minimaal 154.000 stemmers) ingevoerd. Een oud-gemeenteambtenaar kan zich er nog over opwinden. “Dat was een miezerige vertoning. Het referendum hebben ze volledig ontkracht.”