Fijn divers

“Schoolbesturen verlammen het onderwijs”, aldus leraar economie Ton van Haperen in deze krant. Daar heeft hij groot gelijk in. Zijn voorstel: die besturen opheffen. Zoetermeer het geld rechtstreeks laten overmaken naar de scholen, en de werktijd en het salaris centraal regelen. Met deze oplossing heeft Van Haperen groot ongelijk, want daarmee zou het onderwijs nog meer verlamd raken.

De afgelopen decennia is sprake geweest van steeds verder toenemende verschillen, ook binnen eenzelfde sociale laag, in normen en waarden, in subcultuur of, in hedendaagse termen, in 'life style'. Deze diversificatie maakte dat scholen te maken kregen met verschillende vragen en problemen, waardoor het steeds moeilijker werd alle scholen over één kam te scheren. Om onrechtvaardigheden te voorkomen werden allerlei specifieke regelingen en uitzonderingen bedacht. Dit resulteerde, net als bij de belastingen, in een steeds gedetailleerdere regelgeving. Goede schoolleiders waren schriftgeleerden die er als besten in slaagden al die regelingen en uitzonderingsbepalingen in hun eigen voordeel uit te leggen.

De maatschappelijke trend naar besturen op afstand opende ook voor het onderwijs de weg naar de noodzakelijke autonomie voor scholen. Nu kun je een school met een paar honderd leerlingen niet zelfstandig maken: zo'n school is veel te kwetsbaar. Een paar leerlingen minder, en er komen mensen op straat te staan. Dat geeft niet alleen sociale problemen, het kost ook een vermogen aan wachtgeld. Meer autonomie was dus niet mogelijk zonder grotere bestuurlijke eenheden.

Waarin schuilt nu het gelijk van Van Haperen? Dat die lokale bestuurders niet berekend waren voor hun taak, dachten beter dan de scholen zelf te weten wat goed voor hen was, meenden dat de scholen er waren voor hen en niet andersom, zich lieten leiden door de ideologie van groot is goed, dat ze meenden dat het goed was als ze de zaak zo stroomlijnden en uniformeerden dat het overal hetzelfde toeging. Daarmee streefden ze dus het tegendeel na van waartoe ze in het leven waren geroepen.

Het gevolg hiervan is geweest dat in het onderwijs talloze Bijlmers zijn gebouwd. Groot, alles en iedereen bij elkaar, was ideologisch prima (gelijke kansen, heterogene sociale contacten) en nog goedkoop ook. In plaats van één groot Zoetermeer, ontstonden er talloze bureautjes waar amateurs en wereldverbeteraars Zoetermeertje zaten te spelen. En zo gaat het nog steeds.

Wat moet de centrale overheid nu doen om de zaak te redden? Die schoolbesturen opheffen en de zaak zelf gaan regelen? Dat zou betekenen dat de schriftgeleerden het weer voor het zeggen zouden krijgen en dat scholen passieve, afhankelijke instellingen worden. Dat lijkt me geen goede ontwikkeling voor opleidingsinstituten die jonge mensen moeten voorbereiden op een maatschappij waarin gevraagd wordt dat ze flexibel, creatief en ondernemend zijn. Centraal vaststellen hoe lang een leraar voor de klas behoort te staan, ik vind dat eerlijk gezegd te gek voor woorden.

Besturen zouden de scholen moeten stimuleren zo divers mogelijk te gaan werken. Liefst in kleine, overzichtelijke eenheden. De vraag naar een politiepost en de roep om detectiepoortjes komen nooit van kleine scholen. Grote eenheden zijn vaak helemaal niet goedkoop als gevolg van de beheersproblemen die ze met zich meebrengen. Maar bovenal: ze zijn niet in staat tegemoet te komen aan de steeds diversere wensen van ouders en leerlingen. Grote scholen zullen, waag ik te voorspellen, steeds meer terrein verliezen aan kleinere. Dus besturen, ga nu eindelijk datgene doen waaraan jullie je bestaansrecht ontlenen: diversiteit bevorderen. Ingewikkeld, geef ik toe, ook onoverzichtelijk, maar het is wel jullie taak.