'Er zit een gat in de Turkse geschiedenis'; Erik-Jan Zürcher ziet Leiden als kenniscentrum modern Turkije

Met de komst van Erik-Jan Zürcher als nieuwe hoogleraar waait bij de turkologie in Leiden een andere wind. 'Zodra er iets is met Turkije moet men ons weten te vinden.'

'IN NOVEMBER was ik voor 't laatst in Turkije. Ik ben niet optimistisch. Turkije heeft een gigantisch potentieel, qua mensen, geografische ligging en hulpbronnen. De mensen zijn leergierig, hebben een enorme drive om vooruit te komen. Alleen: het mismanagement is enorm, waar je kijkt, zie je corruptie. De tegenstellingen in het land zijn de afgelopen twintig jaar enorm toegenomen, tegenover de zeer zichtbare weelde van de bourgeoisie in Istanbul staat extreme armoede en een ongekend aantal bedelaars. Het probleem van Turkije is dat van een totaal incompetente en corrupte politieke klasse.''

Erik-Jan Zürcher, vanaf dit studiejaar in Leiden hoogleraar Turkse talen en culturen, is druk doende zijn afdeling te profileren. “Wij willen een kenniscentrum zijn voor het moderne en vroeg-moderne Turkije”, zegt hij in zijn werkkamer aan de Witte Singel. Aan de wand de Turkse vlag, een nostalgisch panorama van Istanbul en een kaart van Centraal-Azië. “Zonder het te benauwd op te vatten, daar ligt het zwaartepunt. Dat komt tot uitdrukking in het onderwijs. Het verbod op de islamitische Welvaartspartij is op mijn colleges frequent aan de orde geweest, vorig semester draaide de werkgroep 'Militairen in de politiek'. Ik wil contact met de maatschappij. Zodra er iets is met Turkije moet men ons weten te vinden. Niet alleen Nova, ook de ministeries. Maar geen misverstand: al willen we sociaal-economisch geïnformeerd zijn, we blijven letterenmensen.”

Na een verblijf van twintig jaar in Nijmegen keert Zürcher (zoon van de sinoloog) terug op het oude nest. In Leiden is hij de opvolger van prof.dr. Barbara Fleming, een erudiet en veelzijdig turkologe, autoriteit op het gebied van de oude Osmaanse filologie en in 1984 zijn promotor. Op zoek naar geld, invloed en nieuwe programma's beweegt Zürcher zich op alle niveaus: de wetenschapscommissies van het Azië-instituut en de Leidse onderzoeksschool CNWS (Centrum voor Niet-Westerse Studies), het gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO, het op te richten Islamcentrum en het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam (dat een unieke Turkije-collectie beheert). Zürcher: “Als hoogleraar loop je het risico vergadertijger te worden. Maar wil je verandering tot stand brengen, dan heb je niet veel keus. Ik hoop spoedig weer wat aan moderne Turkse poëzie te kunnen doen. Daar zie ik naar uit.”

Is er vooruitgang in de turkologie? Die vraag stelde Zürcher zich tijdens zijn oratie Opkomst en ondergang van het 'moderne' Turkije, gisteren in het Groot Auditorium. Een geval van vadermoord: de titel verwijst naar het uit 1961 daterende standaardwerk van de Britse turkoloog, arabist en islamoloog Bernard Lewis: The Emergence of Modern Turkey. Zürcher noemt dat boek “een imposante krachttoer” en “een elegant exposé met een heldere lijn”, maar constateert dat “geschiedenis van de ideeën en instituties, van de elite en de centrale staat plaats heeft gemaakt voor een veel bredere benadering waarin mentaliteitsgeschiedenis, sociale geschiedenis, demografie en economie een rol speelden”.

Een tweede 'verwijt' behelst de veronachtzaming van de Eerste Wereldoorlog in de ontwikkeling van het moderne Turkije. “Tegenwoordig realiseren we ons meer en meer dat het moderne Turkije niet op de tekentafel van moderne ideologen is bedacht, maar in een bittere strijd om het bestaan is geboren”, schrijft Zürcher. Eveneens verouderd acht hij Lewis' visie op modernisering. “Met vallen en opstaan en ten koste van veel offers lukt het de hervormende elite geleidelijk van Turkije een modern land naar Europees voorbeeld te maken”, vat hij de Britse redenering samen - om er direct de vloer mee aan te vegen. Daarbij speelt Zürcher een thuiswedstrijd: zijn vernieuwende, baanbrekende onderzoek naar de vroege geschiedenis van de Turkse Republiek, neergelegd in zijn proefschrift The Unionist Factor (E.J. Brill, 1984), verschaft hem munitie in overvloed.

Veel cruciale Turkse archieven zijn niet of moeilijk toegankelijk. Uw onderzoek betreft een gevoelige periode. Hoe is uw gevecht met de bureaucratie verlopen?

“Ik doe het niet meer, het is verschrikkelijk. Toen ik in 1979 begon heb ik het wel geprobeerd, maar het probleem zit in mijn onderwerp. Bij het Osmaanse archief in Istanbul is de situatie sindsdien sterk verbeterd, het overgrote deel is open en de houding is vrij liberaal. Maar wanneer je je zoals ik met de Eerste Wereldoorlog en de periode daarna bezighoudt, wil je in het Presidentieel Archief, in het archief van het Instituut van de Geschiedenis van de Turkse Revolutie, in het archief van de Generale Staf. Daar kom je haast niet bij en na de militaire staatsgreep van 1980 is de situatie alleen maar verslechterd. Het Armeense probleem speelt een grote rol. Het wantrouwen is groot, a priori is de houding ten opzichte van historische onderzoekers negatief.”

Hoe heeft u dat probleem opgelost?

“Van staatsarchieven heb ik nagenoeg geen gebruik kunnen maken. Ik heb toen de chronologie gereconstrueerd, om te zien of die falsificaties in de heersende visie aangeeft. Als dingen in de tijd niet kunnen, zijn ze ook niet waar. Wel ben ik kranten erbij gaan betrekken, dat zijn geen directe bronnen maar ze bieden authentieke gegevens. En ik drijf sterk op memoires en autobiografieën. Dat is notoir gevaarlijk materiaal maar niettemin bruikbaar om tot een alternatieve versie van de gebeurtenissen te komen. De officiële Turkse lezing gaat volledig terug op het woord van Kemal Atatürk, leider van de opstand, in 1923 Turkije's eerste president en tot op de dag van vandaag onderwerp van een enorme persoonlijkheidscultus.”

Gaat de Turkse geschiedschrijving vooruit?

“Steeds heb ik me bij mijn onderzoek geconfronteerd met de kemalistische historiografie, omdat ik vind dat die een aantal zaken grondig vertekent. Er is een heersende canon, een monolitische traditie die de Republiek Turkije als een volstrekt nieuwe creatie voorstelt, verrezen uit de as van het Osmaanse Rijk. Op een gegeven moment voel je: dit kan niet kloppen, hier is iets raars aan de hand, er zit een gat in die geschiedenis. Tegelijk constateer je dat die canon, inmiddels zeventig jaar oud, vrijwel geen vragen heeft opgeroepen. Ook westerse auteurs volgen die klakkeloos. Dat is gek. In Turkije mag de aantasting van Atatürks nagedachtenis strafbaar zijn, westerse geleerden hebben daar geen last van. Maar terwijl er boekenkasten vol revisionisme van de Duitse of de Russische geschiedenis bestaan, was dat voor de Turkse twintigste-eeuwse geschiedenis fundamenteel afwezig. In die leemte heb ik voor een deel willen voorzien.”

Centraal in uw onderzoek staat continuïteit tussen het late Osmaanse Rijk en de Turkse Republiek. Hoe passen de gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog in deze aanpak?

“Om te beginnen zag de Anatolische bevolking geen onderscheid tussen Balkanoorlog, Wereldoorlog en Bevrijdingsoorlog. In die desastreuze jaren 1912-1922 ging het puur om overleven. Daartoe mobiliseerde de bevolking zich om het idee: wij moeten als moslims in het Osmaanse Rijk zien voort te bestaan. Die hele periode geeft een ontploffing te zien van spanningen die al geruime tijd aan het oplopen waren. De start van de emancipatie van de christelijke bevolkingsgroepen in het Osmaanse Rijk ligt al in het begin van de negentiende eeuw. Die culmineerde in enorme verdrijvingen van moslims uit gebieden die voor het Rijk verloren gingen: Macedonië, Servië, Bulgarije, de Kaukasus, de Krim. Een kwart van de moslimbevolking in Anatolië was zelf van huis en haard verdreven. Wat je in 1915 ziet gebeuren, met een uit Istanbul geregisseerde uitmoording van Armeniërs en in het westen een verdrijving van Grieken, vormt in dat drama het laatste bedrijf.”

U stelt dat de bevrijdingsbeweging na 1918 een verdere opdeling van Anatolië vreesde, met een Armeens stuk in het oosten en een Grieks in het westen. Geeft het verdrag van Sèvres van 1920, dat de geallieerden de Sultan opdrongen, hun gelijk?

“Sèvres is een spookbeeld. Dat de oorlog tegen de Britten was verloren vormde niet zo'n probleem, zo onverwacht was dat niet. Maar waar de mensen echt bang voor waren was dat weer zou gebeuren wat in de Balkan en in de Kaukasus was gebeurd, dat grote stukken land zouden worden toegewezen aan christenen die vervolgens de moslims te lijf zouden gaan en verdrijven. Veel toonaangevende leiders in de onafhankelijkheidsstrijd zaten daar met een kwaad geweten: ook in de vervolgingen van Armeniërs en Grieken hadden ze voorop gelopen. Celal Bayar, president van 1950 tot 1960, vind je in zijn memoires terug als leider van een terreurgroep die het in 1914 in Izmir op Griekse zakenlieden gemunt had.”

De Turkse Republiek is gebouwd op een etnische schoonmaak, is de conclusie. Hoe gevoelig ligt de geschiedenis van de vervolgingen nu nog in Turkije?

“Er is enorme desinteresse, het grote Turkse publiek gaat dit soort issues uit de weg. De enigen die er serieus over schrijven zijn de Armeniërs en de Grieken. Bij de Armeniërs valt Dadrian op, anderen zijn zo gemotiveerd door hun behoefte aan eerherstel dat ze door selectief gebruik van bronnen hun zaak eerder schaden. Het is ook niet vreselijk interessant of er 250.000 of 750.000 Armeniërs zijn omgebracht. Was dat de bedoeling, daar gaat het om. Ik heb zelf onderzocht hoe het er in die tijd in het leger aan toeging. Het was de hel, en ook de moslimbevolking had het nog zwaarder. Dat laat onverlet dat hele Armeense gemeenschappen dorpen zijn uitgemarcheerd en over de kling gejaagd. Die uitmoording laat zich niet loochenen.”

Hoe verhoudt dit alles zich tot de onverzoenlijke houding tegenover het Koerdische separatisme? Turkije gaat aan de strijd tegen de PKK nog eens failliet.

“Alles wat de nationale eenheid bedreigt is in principe verdacht. Er ligt een direct verband tussen praten over multiculturalisme en etnische kwesties aan het begin van de eeuw, en praten over Koerdische rechten nu. Stel je dat aan de orde, dan ben je onmiddellijk verdacht. Dan haal je de stop uit de fles. Dan ben je uit op de opdeling van Turkije, op een nieuw Sèvres. Ik denk dat de huidige kemalistische elite - en dat is ook een erfenis van de Republiek - heel sterk het gevoel heeft op een vulkaan te leven. Het regime is opgelegd aan een bevolking die niet wordt vertrouwd, men is zich niet echt bewust van wat onder de bevolking leeft. Het succes van de politieke islam de afgelopen jaren zou niet voortvloeien uit een authentieke keuze van de gewone man, maar het gevolg zijn van een complot, van bedrog, van Saoedisch en Iraans geld. Voor het volk, ondanks het volk, dat was en is het kemalistische idee.”

Wat is in dit verband de rol van Atatürk?

“Die wordt sterker. Eind jaren zeventig was het kemalisme op sterven na dood. Atatürk werd lippendienst bewezen, maar het interesseerde geen hond. Na de staatsgreep van 1980 hebben de militairen hem als symbool gerevitaliseerd. Dat was hun antwoord op het Koerdische verzet van de PKK in het zuidoosten en de onstuimige groei van de politieke islam. Als je de wet met voeten moet treden, of veranderingen blokkeert, dan komt een hogere legitimiteit goed van pas. Atatürks principes van ondeelbaarheid van het land, secularisme en de sterke staat moeten weerstand bieden aan de civil society. Leger en bureaucratie - die in Turkije zeer autonoom zijn - hanteren de kemalistische ideologie als wapen tegen aanvallen op hun machtspositie. Toen vorig jaar in de Welvaartspartij iemand bepleitte de minister van Defensie zeggenschap te geven over de generale staf, werd hij in het parlement voor landverrader uitgemaakt.”

Uw boek 'Turkey: A Modern History' is in het Turks vertaald. Wat waren de reacties?

“Overwegend positief. Van tijd tot tijd zijn er aanvallen, maar nooit uit kringen van vakgenoten. Vooral de nationalistische boulevardpers heeft het gemunt op mijn revisionisme. 'Zo schrijft Europa de Turkse geschiedenis', kopte de krant Akm over de volle breedte van de voorpagina. In dat artikel werd aangetoond dat de geheime agenda van Europa en Amerika om Turkije op te delen zich duidelijk in mijn boek openbaarde. En natuurlijk was het gesponsored door de CIA en in opdracht van de EU geschreven.”

Deze week is met het publiceren in de Turkse staatscourant van het volledige vonnis van het constitutionele hof in Ankara het verbod op de Welvaartspartij van oud-premier Erbakan definitief van kracht geworden. Hoe moet het nu verder met de politieke islam?

“De strijd gaat niet over religie, dat is het eerste dat je moet opmerken. Turks nationalisme en islam worden sinds de militaire staatsgreep van 1980 juist met elkaar verbonden, een synthese die je in het onderwijs terugvindt. Staat en religie staan niet tegenover elkaar, het gaat erom wie controleert. De staat acht controle van de islam van vitaal belang, evenals oriëntatie op het westen en monopolie op de inhoud van het onderwijs. Toen de staat zich bedreigd zag door de Welvaartspartij - een organisatie die door de staat niet wordt gecontroleerd - is er vorig jaar achter de schermen een staatsgreep gepleegd. De staat vreest de onafhankelijke rol van de rijke moslimzakenman. Die deelt in provinciecentra als Konya en Kayseri de lakens uit en dringt door tot de defensie-industrie. Minder dan de westers-georiënteerde big business is hij gecoöpteerd in het establishment van de kemalistische staat.”

Welke risico's brengt het blijvende taboe op de politieke islam met zich mee?

“Het verbod op de Welvaartspartij is onverstandig. Partijen die onder het succes van de politieke islam te lijden hadden, hebben weer eens veilig onder de rokken van het leger kunnen schuilen. Geen misverstand, islamistisch bestuur heeft Turkije niets te bieden. Maar een gezonde ontwikkeling vereist dat seculiere partijen, die soms krachtige islamistische vleugels hebben en absoluut niet democratischer zijn dan de Welvaartspartij, op eigen kracht de strijd met de politieke islam volbrengen. Nu zijn ze nooit tot positiekeuze gedwongen.”

Uw leeropdracht behelst Turkse talen en culturen. Wat doet u met Centraal-Azië?

“Dat is in Nederland braakliggend terrein, een idiote situatie. In Leiden willen we bestaande stukjes bij Vergelijkende Taalwetenschap, sinologie, Ruslandkunde en Turks bij elkaar vegen en zo een afstudeervariant Centraal-Azië in leven roepen. De kunst bij turkologie is je kennis over het moderne zo'n niveau te geven dat je voor specialisten elders interessant bent. Dan komt het tot een uitwisseling die je aanbod verbreedt. Je moet niet pretenderen alles te kunnen, zeker niet in onze vakken.”