El Niño frustreert ook ideaal gelegen sterrenwachten

Moderne, optische telescopen zijn zo geavanceerd dat ze alleen in klimatologisch optimale gebieden volledig aan de verwachtingen kunnen voldoen. Dat is dan ook de reden dat ze bij voorkeur worden gebouwd op hoge bergtoppen en uitgedoofde vulkaankraters. In Chili, een Mekka voor astronomen, heeft Europa een sterrenwacht op La Silla en zitten de Amerikanen op Las Campanas en Cerro Tololo.

Europa is nu op een veel noordelijker top, Cerro Paranal, een tweede sterrenwacht aan het bouwen. Toch ontkomen de astronomen ook op deze hoge en droge plaatsen niet aan de grillen van het klimaat: in dit geval het beruchte El Niño-verschijnsel.

Op de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) wordt al enkele jaren onderzoek verricht naar de mogelijkheden om tot één week vooruit het astroklimaat te voorspellen voor zowel La Silla als Paranal. Langs deze weg hoopt men te kunnen bereiken dat zo efficiënt mogelijk gebruik kan worden gemaakt van de door het weer gedicteerde waarnemingsomstandigheden. Voor sommige soorten waarnemingen, bijvoorbeeld spectroscopische, mag de hemel een tikkeltje minder helder of doorzichtig zijn dan voor andere soorten waarnemingen (zoals het fotograferen van zeer lichtzwakke hemellichamen). Tijdens een recent gehouden ESO-workshop bleek dat een 24-uurs voorspelling van bewolkingsgraad en waterdampgehalte voor La Silla in 84 procent van de gevallen uitkomt en voor Paranal in 95 procent.

In het kader van dit onderzoek zijn astronomen ook gaan kijken naar een mogelijke invloed van het El Niño-verschijnsel. Meteorologen hebben gevonden dat de relatieve sterkte van dit verschijnsel goed kan worden uitgedrukt via een getal, de zogeheten Southern Oscillation Index (SOI), dat berekend wordt op basis van het verschil in de gemiddelde luchtdruk op zeeniveau tussen Tahiti en Darwin (Noord-Australië). ESO-onderzoekers hebben de variaties van deze SOI vergeleken met de variaties in de gemiddelde bewolkingsgraad boven La Silla en Paranal sinds 1982. Er blijkt een vrij duidelijk verband te bestaan: tijdens een El Niño-periode zijn er minder heldere nachten dan gemiddeld, dus heeft men meer last van bewolking. De maximale verliezen zijn voor Paranal bijna de helft kleiner dan die voor La Silla, maar kunnen in de loop van één jaar toch nog oplopen tot 20 procent, ofwel tot een totaal van 50 nachten, zo melden de onderzoekers in het decembernummer van de ESO-Messenger.

Het verband tussen de SOI en de reductie van het aantal heldere nachten is echter niet altijd duidelijk. Zo zijn de sterke El Niño's van 1986/87 en 1991/92 goed in het aantal heldere nachten boven beide bergtoppen terug te vinden, maar is de zwakkere van 1990/91 wèl duidelijk voor La Silla maar niet voor Paranal. En de nog zwakkere van 1994/95 is bij geen van beide locaties terug te vinden. Ook de relatieve sterkte van de SOI zal dus in rekening moeten worden.