Een nieuwe Toxopeusronde

Ik herinner mij nog de tijd dat professoren nette maar arme mensen waren. Mannen met baarden en iets te versleten pakken in een tijd dat baarden en versleten pakken nog niet in de mode waren. Mannen die op een bovenhuis woonden in de Concertgebouwbuurt in Amsterdam in een tijd dat die buurt nog niet in de mode was en de huizen daar nog niet een miljoen per stuk kostten. Het beroep van hoogleraar had status, maar rijk werd je er niet van. Respectabel en arm ging echter nog goed samen.

Ook in die tijd waren er al uitzonderingen, mensen die een wetenschappelijke status wisten om te zetten in aardige honoraria voor privé-activiteiten. Dokters, economen, sommige advocaten. In de medische basisdisciplines, waarin ik zelf werkte, viel meestal weinig te schnabbelen. Een enkele neurofysioloog of biochemicus wist een lucratieve bijbaan als consulent van de farmaceutische industrie te bemachtigen, maar dat waren uitzonderingen. Nette armoede was ook daar de regel.

In de jaren zestig begon daar verandering in te komen. De industrie breidde snel uit en de universiteit had moeite om goede mensen vast te houden. De salarissen werden aangepast. Ik herinner mij nog de Toxopeusronde, toen plotseling alle hoogleraren, ook de jonge, naar het maximum van de bestaande schalen werden getild. Ik had er niet om gevraagd, maar ik heb ook niet geprotesteerd. Wat is er mooier dan plezierig werk dat ook nog goed wordt betaald? Ook zonder bijbaan hoefde een hoogleraar niet meer in versleten pakken te lopen.

Rond 1970 sloeg de democratisering toe in de universitaire wetenschap. Het kapitalisme werd de bron van alle kwaad en nevenbanen kwamen onder druk. Sommige hoogleraren werden gedwongen om hun lucratieve nevenbanen op te geven, andere vertrokken. Dat het nodig is om toptalent met topsalarissen vast te houden, werd onbespreekbaar. Solidariteit met de zwakken in de samenleving gaat nu eenmaal slecht samen met topsalarissen. Nivellering werd een honorabel begrip, de concurrentie met het bedrijfsleven verdween als gespreksthema. Dat middelmatige directeuren van middelgrote bedrijven aanzienlijk meer verdienden dan briljante hoogleraren in maatschappelijk belangrijke vakken was geen punt van universitaire zorg.

In die tijd had de universiteit ook weinig op met toponderzoek. Dat leidde maar tot overvolle laboratoria en extra belasting van ondersteunende diensten. Onderzoekers die veel projectgeld binnenbrachten, dat in competitie met anderen was verkregen, werden knorrig behandeld. Dat toponderzoek het zout is in de universitaire pap, was nog niet doorgedrongen. Ik herinner mij uit het midden van de jaren zeventig een gesprek met het voltallige College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, dat weleens wilde weten waarom ik recombinant-DNA-onderzoek wilde doen en waarom daarvoor een speciaal lab nodig was. Nadat ik naar vermogen het belang van deze nieuwe onderzoeksontwikkeling had geschetst en had uitgelegd waarom deze techniek de basis zou worden voor een revolutie in het biomedische onderzoek, vroeg de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur, de charmante jurist George Cammelbeeck mij vriendelijk: 'Kunt u niet een paar jaar wachten met dat recombinant-DNA-onderzoek, meneer Borst? Dan kunnen we eerst eens rustig bezien of er werkelijk geen risico's aan verbonden zijn.' Dat onderzoek ook competitief is en dat alle serieuze onderzoek enige urgentie heeft, was tot deze aardige man, die de eindverantwoordelijkheid had voor een grote universiteit, nog niet doorgedrongen.

Het kan verkeren. Nu, twintig jaar later, zijn de universiteiten in een felle concurrentiestrijd gewikkeld om wetenschappelijk toptalent aan te trekken en vast te houden. Ik klaag daar niet over, want ik heb dertig jaar lang gepleit voor toponderzoek, maar niet alles is rozengeur en manenschijn.

In de eerste plaats is het ongelukkig dat nu alle universiteiten zich op toponderzoek willen toeleggen en niet bereid zijn om dat aan één of twee universiteiten over te laten. Dat is onpraktisch want toponderzoek gedijt nu eenmaal het beste in een omgeving waar veel toponderzoekers bij elkaar zitten. Verspreiding van toptalent over alle Nederlandse universiteiten komt de wetenschap niet ten goede.

Als alle Nederlandse universiteiten toponderzoekers willen aantrekken, leidt dat ook tot een overspannen markt. Als dat beperkt bleef tot de faciliteiten die worden geboden, betere apparatuur, betere ondersteuning, dan zou iedereen daar vrede mee kunnen hebben, maar daar blijft het niet bij: ondanks min of meer uniforme salarisschalen kopen universiteiten nu toptalenten bij elkaar weg. Het is verrassend te zien hoe flexibel die vaste salarisschalen kunnen worden toegepast als het gaat om een wetenschappelijke ster binnen te halen. Naar mijn smaak begint die wedloop in financiële creativiteit ongezonde vormen aan te nemen. Die wedloop wordt uiteraard gestimuleerd doordat de wetenschappelijke sterren elkaar graag laten weten wat ze nu weer hebben weten te bedingen. Een derde factor die de concurrentie compliceert, zijn de nevenactiviteiten. Wat mag nog wel en wat niet, en vooral wat mag er meer in universiteit X dan in universiteit Y? In de biomedische wetenschappen, waarin ik werk, nemen die nevenactiviteiten meestal de vorm aan van een consulentschap bij een bedrijf, soms gaat iemand in deeltijd bij een bedrijf werken, soms richt iemand zelf een bedrijfje op. De voordelen van zulke nevenactiviteiten worden breed uitgemeten en die veronderstel ik hier bekend. De opkomst van de biotechnologische industrie is mede te danken aan de Amerikaanse hoogleraar-entrepreneur. Ondernemende Amerikaanse universiteiten gaan er soms zelfs van uit dat hun staf geld buiten de deur verdient om het magere universitaire salaris aan te vullen. Er zitten echter ook risico's aan nevenactiviteiten en die risico's nemen toe als het accepteren van nevenactiviteiten onderdeel wordt van de concurrentie tussen wetenschappelijke instellingen. Dit kan leiden tot een proliferatie van Steenhuis-constructies, die niet goed zijn voor het vertrouwen van buitenstaanders in de wetenschap en voor het wetenschappelijk bedrijf zelf.

Leidt dit nostalgische gepruttel ook tot conclusies? Zeker, al zijn er uiteraard geen simpele oplossingen. De tijd lijkt rijp voor een betere bewaking van academische nevenactiviteiten. De bestaande regelingen zijn doorgaans voldoende stringent, maar de toepassing van de regels gebeurt nu nogal liberaal en lacunair. Ook lijkt het me tijd voor een salarisverhoging, een nieuwe Toxopeusronde. Als de wetenschappelijke sterren ingeperkt worden in hun nevenactiviteiten, mag daar wel iets tegenover staan. Voor de grote verschillen in salaris tussen universitaire top en bedrijfsleven, is ook minder reden dan vroeger. De academische baan heeft zowel aan status als aan bestaanszekerheid (reorganisaties!) ingeboet. Er mag dus ook wel wat meer voor betaald worden. Ruime verschillen met het bedrijfsleven zullen er altijd blijven. Ik zie voorlopig geen bonussen betaald worden aan afdelingshoofden van bijzonder goed lopende universitaire wetenschappelijke afdelingen.

Een maatschappij, die prijs stelt op onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekers, moet die mensen ook voldoende geld geven om hun onderzoek fatsoenlijk te doen, zoals ik vorige maand al schreef. Als onderzoekers geheel afhankelijk worden van sponsors voor hun onderzoek, moeten we niet verbaasd zijn als dat onderzoek resultaten oplevert die de sponsor welgevallig zijn. Als dokters voor congresbezoek afhankelijk zijn van reisgeld aangeboden door de farmaceutische industrie, moeten we niet klagen dat die dokters de schijn van belangenverstrengeling oproepen.

De salarisconcurrentie tussen universiteiten, ten slotte, lijkt mij een tijdelijk probleem. Ook in Nederland begint nu geleidelijk de vorming van topcentra op gang te komen en, als de overheid dat niet actief tegengaat, blijven er straks maar 2 à 3 topuniversiteiten over, waardoor de concurrentie vanzelf afneemt.