'De wielersport klimt langzaam uit een diep dal'

Vandaag wordt het wielerseizoen officieus geopend met de semiklassieker Omloop Het Volk. Ondanks de sportieve malaise en de geruchtenstroom over dopinggebruik blijft voorzitter Joop Atsma van de KNWU hoopvol gestemd.

SURHUISTERVEEN, 28 FEBR. Joop Atsma (41) is een veelzijdige man. Hij werd op relatief late leeftijd een verdienstelijke wieleramateur. Hij werd vier jaar geleden een gerespecteerde voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU). Hij is fractievoorzitter van het CDA voor de Provinciale Staten. Over een paar maanden neemt hij zitting in de Tweede Kamer. In het parlement zal hij zich niet met sport bezighouden. “Ik wil voor iedereen hetzelfde kunnen betekenen, maar landbouw en economie hebben mijn voorkeur.”

Zijn drukke werkzaamheden worden de laatste tijd bemoeilijkt door een sluimerende oogziekte. Atsma heeft een beperkt gezichtsvermogen en staat onder controle bij een oogspecialist in Rotterdam. Lezen kost hem veel moeite, autorijden is onmogelijk. Sinds een paar maanden is de situatie stabiel. Atsma blijft optimistisch. “Gelukkig kan ik nog fietsen. Dat is een hele opluchting. Alles in mij ademt wielersport.”

Atsma heeft geen gemakkelijke bijbaan op het hoofdkantoor in Woerden. De matige prestaties van de profs, de verminderde belangstelling bij de jeugd en de toenemende geruchten over dopinggebruik zijn voor de KNWU een voortdurende bron van zorg. Tegelijkertijd heeft de wielerunie te maken met de tegenwerking van lokale overheden. Te veel rotondes, te veel verkeersdrempels, te weinig agenten. De voorzitter blijft optimistisch. “Ik heb geen zin om een heel somber verhaal af te steken.”

De wielerunie kampt al ruim een decennium met een stagnerend ledenaantal. Heeft de Nederlandse jeugd nog wel zin om urenlang op de fiets te zitten?

“In het midden van de jaren tachtig verloren we tien procent van het aantal licentiehouders. Dat proces moesten we per se stoppen. We hebben na mijn aanstelling in 1994 een onderzoek ingesteld en gevraagd waarom mensen de fiets aan de kant zetten. Er bleek geen sprake van een instroomprobleem; elk jaar hebben we honderd nieuwe inschrijvingen. Het grootste probleem zijn de afhakers. Voor veel liefhebbers ligt het niveau te hoog. Zij hebben geen zin om voor duizend mensen af te gaan. Ze rijden liever voor hun plezier een rondje rond de kerk.

“Mede daarom hebben we een aantal nieuwe wedstrijdvormen geïntroduceerd: dikke-banden-wedstrijden, prestatieve toertochten, beachraces. Verder proberen we licenties op clubniveau uit te geven. Het gaat ons niet alleen om de kampioenen, maar vooral om de breedtesport. De massa is bepalend voor ons bestaansrecht. Je hebt niks aan tien toppers als je geen peloton kunt vullen. Gelukkig hebben we de dalende lijn kunnen stoppen. Het gaat duidelijk beter dan een paar jaar geleden.”

Bestaat er nog wel een typisch Nederlandse wielercultuur?

“Ik ben opgegroeid met wielervet, massage-olie en hamburgers. De combinatie van deze penetrante geuren zal ik nooit vergeten. Het publiek moet de koers letterlijk kunnen opsnuiven. Misschien ben ik een traditionele, sentimentele zeurkous, maar we moeten oppassen met alle technologische ontwikkelingen. Straks ontdekken ze in een windtunnel dat de renners hun beenharen beter niet kunnen afscheren. Dat zou een cultuurshock teweegbrengen. Aan de andere kant is er nog heel veel progressie te boeken in de fietsindustrie. Daarin kan Nederland een vooraanstaande rol spelen.”

Toch lijkt het wielrennen als kijksport aan populariteit te hebben ingeboet?

“Ons visitekaartje is een willekeurig profcriterium na de Tour de France. Ook in slechte tijden stonden er dertigduizend mensen achter de hekken. Vorige week heb ik onderhandeld met de NOS over de televisierechten. Wielrennen blijkt qua populariteit nog steeds op de vierde plaats te staan; na voetbal, schaatsen en tennis. In de zomer is wielrennen zelfs volkssport nummer één.”

Hoe belangrijk is het gemis aan echte helden, zoals Joop Zoetemelk en Jan Raas in de jaren zeventig en tachtig?

“Je moet dat effect niet overschatten. Toen Richard Krajicek twee jaar geleden Wimbledon won, had dat ook geen effect op het aantal tennissers in Nederland. Hetzelfde geldt voor de gouden medaille van de volleyballers. Maar voor het imago van de sport is succes uiteraard heel belangrijk. Gelukkig hebben we de stijgende lijn te pakken. Jongens als Michael Boogerd, Leon van Bon en Jeroen Blijlevens zitten dicht tegen de wereldtop. Dat is een prettig vooruitzicht, met het WK in Valkenburg vlak voor de deur. Het WK gaat bij een hoop mensen tot de verbeelding spreken. Reken maar dat er begin oktober een hoop volk op de Cauberg staat.”

Wielrennen wordt sinds jaar en dag geassocieerd met doping. Welke maatregelen neemt de KNWU om de sport gezond te houden?

“Wij bijten onszelf in de staart. Van alle sportbonden in Nederland verrichten wij met afstand de meeste dopingcontroles. Dus hebben wij ook meer positieve gevallen. De cijfers geven aan dat één procent van de gecontroleerden positief bevonden wordt. Mondiaal gezien wijken wij niet af van andere sporten. Het is natuurlijk te gek voor woorden dat een van de kleinste bonden met afstand het meeste geld uittrekt voor dopingbestrijding. Met nog geen 10.000 licentiehouders besteden we meer dan een ton per jaar.

“Het dopingvraagstuk reikt verder dan wielrennen. Deze problematiek overstijgt de hele sport. We praten over de Nederlandse volksgezondheid. Ook over mijn overbuurman die marathons loopt en mijn achterbuurman die grote schaatstochten rijdt. Geen enkele zware tak van sport kan zonder medische begeleiding. Maar dat is wat anders dan doping.

“Er is een latente vraag naar doping. Dat blijkt wel uit het enorme aantal sportartsen (tussen de 100 en 150) die verboden middelen voorschrijven. Er gaan honderden miljoenen om in het zwart-geld-circuit. Het is toch te gek voor woorden dat je via Internet allerlei middelen kunt bestellen die prestatieverhogend zijn. Daar moet de overheid een stokje voor steken.

“Als bond zijn wij primair bezig met preventie en voorlichting. De uitvoering van de controles, het aanvoeren en analyseren van de urinestralen, zou de georganiseerde sport moeten clusteren. Daar ligt een taak voor NOC*NSF. Nu is iedereen met zijn eigen winkeltje bezig. En legt bijna iedereen het dopingprobleem gemakshalve bij de wielersport.”

Er is veel kritiek geweest op de belangenverstrengeling van uw hoofdsponsor Rabobank. Kan een sponsor enerzijds een profploeg en anderzijds een nationale bond steunen?

“De KNWU blijft altijd autonoom wat betreft selectiebeleid en opleidingstraject. Dat was een absolute voorwaarde bij de contractbesprekingen. Wij zijn trouwens zelf naar de Rabobank toegestapt. Deze sponsor past perfect bij de volkssport die wielrennen gelukkig nog steeds is. Het is een gouden samenwerking. Rabobank doet heel veel aan de breedtesport, Ze investeren in de diepte. Ze organiseren cursussen, lezingen en doen veel aan de jeugdopleiding. De resultaten zijn heel bevredigend. We merken dat het wielrennen aan de basis veel meer enthousiasme teweegbrengt dan een paar jaar geleden. We klimmen langzaam uit een diep dal.”