De bijzonder hoogleraar is op zijn retour; Stoelendans op de universiteit

Drie van de vier hoogleraren zijn benoemd op voorspraak van een bedrijf of een maatschappelijke organisatie. 'Mooi toch dat bedrijven een tekort in het onderwijs opvullen?' Maar de universiteiten beginnen de parttime geleerden te weren. Niet om hun onafhankelijkheid te heroveren, maar omdat het sponsorgeld toch wel binnenvloeit.

Het contract van Frans Soetens, hoogleraar aluminiumconstructies in Eindhoven, is net verlengd. De aluminiumindustrie koestert de eigen professor aan de Technische Universiteit. Paul Bruinsma, directeur van de stichting die de belangen van aluminiumbedrijven behartigt en de bijzonder hoogleraar betaalt: “Sinds deze leerstoel bestaat, nu drie jaar, is er in de markt veel meer belangstelling voor aluminiumconstructies. De leerstoel is belangrijk voor de ontwikkeling van ons marktsegment.” Volgens Bruinsma geeft een hoogleraar “gewicht aan argumenten” en wekt hij “technisch inhoudelijk” vertrouwen, bijvoorbeeld bij de Nederlandse Spoorwegen en Rijkswaterstaat, die nog moeten leren hoe goedkoop, licht en milieusparend aluminium is.

Er zijn nu 879 bijzondere leerstoelen aan Nederlandse universiteiten, op 2.426 gewone. En het aantal groeit nog. Maar niet lang meer. Het zijn er te veel geworden, vinden de meeste universiteiten. En om geld binnen te halen van bedrijven hebben ze andere manieren ontdekt: ze laten de gewoon hoogleraren soms direct betalen door de industrie en ze werven sponsors voor 'eigen' onderzoek.

Bedenker van de bijzondere leerstoel, in 1905, is de gereformeerde staatsman en oprichter van de Vrije Universiteit, Abraham Kuyper. Het 'bijzondere' aan de stoel was de levensbeschouwelijke grondslag. Kuyper wilde dat ook op openbare universiteiten christelijk overtuigd werd lesgegeven. De leerstoel was niet bedoeld voor zijn eigen VU of de katholieke universiteit, de leerstoel was zending. En niet-calvinisten mochten zo'n stoel ook oprichten.

Er kwamen reformatorische hoogleraren, katholieke en humanistische. En die zijn er nog. Een student in Twente bijvoorbeeld kan iedere donderdag kiezen hoe hij zijn technische studie wil verdiepen. Dat kan door colleges te volgen van de vrijzinnig protestantse leerstoel - uit de cursusbeschrijving in de studiegids: 'Is alles begonnen met een Big Bang?' Of van de reformatorische: 'Heeft de techniek ons verder gebracht? Of bedreigt ze ons juist in ons bestaan?' Het kan ook door lessen van de humanistische stoel: 'Mens en machine, over de machinemetaforen voor de mens'. En de katholieke: 'Wetenschap en techniek bepalen het moderne bestaan verregaand, maar zijn ze ook in staat antwoord te geven op de 'zin' ervan?'

Pas in de jaren zestig, zeventig meldden ook bedrijven en instellingen zich voor een leerstoel. De faculteiten beoordeelden de aanbieding, het bestuur van de universiteit besliste of ze een zinnige aanvulling was op hun lesprogramma's of niet. De leerstoelhouder betaalt salaris en onkosten van de hoogleraar, de universiteit laat de professor gebruik maken van lokaal, computer en secretariaat. De Jellinek-kliniek bijvoorbeeld kreeg een eigen hoogleraar epidemiologie van de verslavingszorg in Amsterdam, NRC Handelsblad richtte via de Maarten Rooij-stichting de leerstoel persgeschiedenis op, in Rotterdam, en het wetenschappelijk instituut van het CDA heeft sinds een jaar in Nijmegen een eigen hoogleraar 'ethiek van de politieke praktijk met speciale aandacht voor de christelijke levensbeschouwing' - betaald door het Abraham Kuyper-fonds.

De universiteiten vonden dat het goed was om 'de maatschappij' in hun academische bolwerkjes toe te laten. Voor bedrijven en organisaties was het eerste, officiële doel van een leerstoel: wetenschappelijk onderzoek. Maar het hoogleraarschap geeft ook status, het 'opent deuren' bij subsidiegevers en klanten. Een professor is goedkoper dan een reclamecampagne. De bijzondere leerstoel is een geraffineerd marketing instrument.

De titel wordt ook gebruikt alsof het een koninklijke onderscheiding is, een beloning voor bewezen diensten: een afgetreden bestuursvoorzitter telt nauwelijks nog mee als hij niet ergens hoogleraar wordt. KLM, Nedlloyd,Shell, Philips, Vroom & Dreesmann - ze hebben allemaal hun professor. Het lukt niet altijd om talentvolle bestuurders daarmee aan het bedrijf te binden. Twee weken nadat de directeur van het Academisch Ziekenhuis Utrecht, Gerlach Cerfontaine, was benoemd tot 'bijzonder hoogleraar strategisch management in de ziekenhuiszorg', meldde hij dat hij de baas werd van Schiphol.

In de jaren tachtig groeide het aantal bijzondere leerstoelen explosief: universiteiten gebruikten ze voor het opvullen van gaten in de slinkende begroting. “Een win-winsituatie”, vindt prof.dr. L. De Klerk, rector-magnificus van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. De universiteit behoudt - gratis - vakgebieden die anders verloren waren gegaan. Studenten vinden stageplaatsen in bedrijven die de stoel betalen. Universitair docenten voor wie de universiteit geen echte leerstoel beschikbaar had, worden op kosten van de industrie professor. Bedrijven kunnen voor weinig geld onderzoek laten uitvoeren.

Niet elke firma of vereniging krijgt zomaar een leerstoel. Volgens de universiteiten wordt van aanbieders en aanstaande hoogleraren uitvoerig onderzocht of ze serieuze, wetenschappelijke bedoelingen hebben. De scientology-beweging of de satanskerk maken geen kans. Ook de vereniging voor homeopathie is het nog niet gelukt een stoel te vestigen. En adviseurs of therapeuten van wie universiteiten vermoeden dat ze een titel zullen gebruiken om hun tarieven te verhogen, worden afgewezen. Nee echt, bezweren universiteitsbestuurders: er is streng toezicht op de leerstoelen.

Dwangpositie

Kernfysicus dr. Cees Andriesse werd in 1990 bijzonder hoogleraar Elektriciteitsvoorziening in Utrecht, betaald door de KEMA, een organisatie van energiebedrijven. Andriesse werkte bij de KEMA als onderzoeker, het hoogleraarschap deed hij erbij. Hij bleef in dienst van de KEMA, het bedrijf betaalde zijn salaris door, ook voor de dagen die hij op de universiteit doorbracht. In het eerste vraaggesprek dat hij gaf na zijn oratie, aan het sectorblad Electrotechniek, vertelde Andriesse wat volgens hem de zwakke kanten waren van bestaande kernreactoren. Hij pleitte voor een ander soort reactor, twintig tot vijftig procent duurder, maar veel veiliger. Het artikel werd nooit geplaatst, de KEMA hield het tegen.

Andriesse, nu: “Er was veel geld geïnvesteerd in die kernreactoren, er waren enorme belangen mee gemoeid. Ze wilden het niet horen.” Andriesse had deze opvattingen al langer en hij had ze nooit verborgen. “Maar iedereen in de kernenergie-wereld was ontzettend geschrokken van Tsjernobyl, in 1986. In de verdoving daarna kon ik dit nog zeggen. Het werd pas pijnlijk toen mijn gewicht groeide, als hoogleraar. En in 1990 dacht de sector: het publiek is Tsjernobyl nu wel vergeten.”

Hoogleraar Andriesse publiceerde zijn ideeën in vakbladen. De KEMA-directie kreeg er genoeg van, Andriesse moest daarmee ophouden. “Ik ben gezwicht”, zegt hij. Hij was vijftig, dacht dat hij geen andere baan meer zou vinden, en hij was gehecht geraakt aan het hoogleraarschap: “Je krijgt een opening in kringen waar je anders nooit binnenkomt: raden, redacties, bedrijven, een heel netwerk.”

In 1993 kwam een adviescommissie van de regering bij Andriesse langs voor zijn mening over bestaande kernreactoren. Toen zei hij toch weer wat hij dacht, wat hij wist uit onderzoek. Hij werd door de KEMA ontslagen: als onderzoeker èn als hoogleraar. Andriesse ging nog langs bij de Vereniging van Directeuren van Elektriciteitsbedrijven, officieel de instantie die hem tot hoogleraar had benoemd - de universiteit vindt dat zo'n vereniging ertussen moet. “De voorzitter hoorde mij welwillend aan, maar stuurde me terug naar de KEMA. Daar kwam het geld vandaan.”

Een jaar later nam de Utrechtse universiteit de kernfysicus in dienst als gewoon hoogleraar. Andriesse kan weer zeggen en onderzoeken wat hij wil. Hij maakt een uitzondering voor de levensbeschouwelijke leerstoelen: die kunnen geen kwaad. Maar verder is hij nu tegen iedere leerstoel die niet door de universiteit wordt betaald, ook als het geld van keurige organisaties komt als de hartstichting of het astmafonds. “Je zit in een dwangpositie, de financier stopt belangen in een stoel en die moet je dienen.” Collega's in Utrecht die bijzonder hoogleraar zijn, zeggen tegen Andriesse dat je daar toch 'verstandig' mee om kunt gaan, dat je het 'diplomatiek' moet aanpakken. “Die zijn niet voluit hoogleraar, vind ik.”

Hoeveel ruimte hebben bijzonder hoogleraren om iets anders te denken of te zeggen dan hun geldschieters? Hoe onafhankelijk is hun onderzoek? Prof.dr. M. Rem, rector-magnificus van de Technische Universiteit Eindhoven, geeft een antwoord dat in niets nog doet denken aan het ideaal van academische vrijheid. Hij zegt: “Je streeft niet naar echte onafhankelijkheid natuurlijk. Het belang van zo'n bijzonder hoogleraar is juist dat hij studenten laat ruiken aan het bedrijfsleven. Als hij er volledig onafhankelijk van is, doet hij zijn werk niet goed.”

Zijn collega van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, prof.dr. P. Akkermans: “Ik heb liever iemand die zegt: dit is het standpunt van Coopers & Lybrand, dan een grijze gehaktbal die dure praatjes staat te verkopen zonder dat je weet wat zijn opvattingen zijn.” De rector-magnificus van Rotterdam zou het ook geen probleem vinden als bedrijven hun leerstoel wat commerciëler willen presenteren, bijvoorbeeld door die te vernoemen naar de eigen firma: V&D-leerstoel, Nedlloyd-leerstoel. Nu worden deze leerstoelen alleen informeel zo genoemd. Officieel heten ze 'detailhandelsmarketing' en 'transport en logistiek', maar universiteiten mogen, als ze willen, afwijken van die neutrale omschrijvingen. Akkermans: “Ik ben niet zo scrupuleus dat ik vind dat je op televisie het etiketje van de jampot uit beeld moet houden.”

Maar natuurlijk vinden de universiteitsbestuurders dat een bedrijf het onderzoek en onderwijs niet in een richting mag sturen, of ongewenste uitkomsten van onderzoek verdoezelen. En ze leggen graag uit hoe ze beïnvloeding proberen te voorkomen. Punt één: het bedrijf fincanciert nooit rechtstreeks, maar via een eigen stichting of het universiteitsfonds. Er is een curatorium, een commissie van toezicht, waar ook vertegenwoordigers van de universiteit in zitten. En er moet een open werving zijn: iedereen moet voor de functie van hoogleraar in aanmerking kunnen komen. Al geven de bestuurders toe dat het bijna nooit gebeurt dat een andere kandidaat wordt benoemd dan een bedrijf of instelling had bedacht.

Bedrijven die bijzondere leerstoelen betalen beginnen met uitleggen dat ze geen direct commercieel of ander belang hebben bij een eigen hoogleraar. Ze willen de wetenschap vooruit helpen, hiaten in kennis opvullen.

Het Aluminium Centrum wilde in de eerste plaats een eigen hoogleraar in Eindhoven om de kennis over toepassingen van aluminium te bevorderen. Want als je niet weet hóe je het moet gebruiken, gebruik je het níet. Hoe ver de aluminiumprofessor mag gaan als hij dingen ontdekt die de branche onwelgevallig zijn? Directeur Paul Bruinsma formuleert een wat omslachtig antwoord. “Aan materiaal zitten kenmerken, positieve én negatieve. Van een hoogleraar verwachten wij dat hij vanuit de positieve zal redeneren, zonder de negatieve te verdoezelen, want zwakke punten worden altijd door de markt onderkend. De hoogleraar moet een balans vinden tussen die kanten, en in zijn totaliteit moet de balans zodanig doorslaan dat de waardering positief is. Want als hij doorslaat naar negatief, voegt hij niks toe voor ons. En waarom zou je hem dan nog financieren? Dat is toch logisch?”

De woordvoerder van Nefarma, belangenbehartiger van de farmaceutische industrie en financier van twee leerstoelen bij geneeskunde aan de VU en in Groningen: “Wij vinden dat er in de opleiding beperkt aandacht is voor geneesmiddelen, terwijl die middelen later, in de praktijk, het belangrijkste instrument zijn.”

Prof.dr. H. Huisjes, decaan van de geneeskunde faculteit in Groningen ziet geen probleem in een bijzondere leerstoel van de farmaceutische industrie. Mooi toch, dat bedrijven een tekort in het onderwijs opvullen? Gevaarlijker vindt Huisjes de financiering door de industrie van geneesmiddelenonderzoek op de universiteit - zulk onderzoek wordt vrijwel altijd door de farmaceutische industrie betaald. “Als je bezig bent met een onderzoek van vijf ton voor firma A, en firma B komt met een middel op de markt dat interessant zou zijn om erbij te betrekken, dan is dat emotioneel heel moeilijk. Je voelt zelf die druk om dat dan maar niet te doen.”

Maar hij zegt er onmiddellijk bij: “Mocht u van plan zijn een filippica te schrijven tegen de samenwerking met de industrie, dan wil ik er wel even op wijzen dat er in de Sovjet-Unie zolang die bestond vrijwel geen geneesmiddel is ontwikkeld. En zonder farmaceutische bedrijven lagen mensen met een maagzweer nog steeds op bed met een beschuitje, appelmoes en een kopje thee.”

De meeste universiteiten vinden dat er nu te veel bijzonder hoogleraren zijn. Niet omdat ze bang zijn voor aantasting van hun onafhankelijkheid. Incidenten kun je niet voorkomen, zeggen de bestuurders. Ze maken zich wél zorgen over de hoogleraarstitel: die devalueert. Rector-magnificus De Klerk: “Er komen ondernemers langs die vragen: hoeveel kost het om hier een hoogleraar te droppen?”

En misschien, vinden vooral de gewone hoogleraren, werden leerstoelen in de jaren tachtig ook wel wat te makkelijk toegelaten. Wat moet hun faculteit met een leerstoel 'vredespedagogiek', 'de relatie mens-dier', of 'de geschiedenis van het verzamelen'? Heeft de universiteit van Amsterdam echt twee leerstoelen Fries nodig, en zijn er nog studenten die Esperanto willen leren?

En de bijzondere leerstoel, in Leiden en Amsterdam, 'Leer der menselijke betrekkingen ten aanzien van het geslachtsleven' van de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming? Eind jaren zeventig leerden de twee NVSH-hoogleraren aankomende artsen hoe ze met patiënten moesten praten over seks, ongewenste zwangerschap, anticonceptie. Nu richt de één zich op therapie voor daders van seksueel geweld, de ander begeleidt onderzoek naar prostitutie in Wenen rond de eeuwwisseling. Marc Willems, adviseur en oud-voorzitter van de NVSH: “Zulke zwaarbevochten leerstoelen zijn te waardevol om op te geven.”

Twijfel is er nu ook over het niveau van de bijzonder hoogleraren. Iedere universiteit eist officieel dat een hoogleraar is gepromoveerd, maar hard is die eis niet. Bij de bijzonder hoogleraar, die ook wel wordt gevraagd om zijn praktijkervaring of naamsbekendheid, is de eis nog minder hard. Rector-magnificus dr. J. Franse van de UvA: “De meetlat is anders.” Op de UvA komt het volgens Franse eens per jaar voor dat een bijzonder hoogleraar niet voldoet aan de wetenschappelijke normen van de universiteit en dat de stoel dan wordt opgeheven.

Universiteiten vinden soms ook dat de bijzonder hoogleraren, bijna altijd benoemd voor maar een of twee dagen in de week, te weinig aandacht hebben voor hun bijbaan. Pim Fortuyn bijvoorbeeld, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen op de Erasmus Universiteit, werd uit zijn stoel gezet omdat hij volgens de faculteit het onderwijs verwaarloosde en, zegt rector-magnificus Akkermans: “Collega's vonden ook dat hij niet voldeed aan de wetenschappelijke criteria.”

Componist Louis Andriessen was een jaar lang bijzonder hoogleraar kunst en cultuur in Nijmegen, de universiteit waar zijn vader Hendrik vroeger hoogleraar musicologie was. Andriessens opdracht was: lesgeven over zijn eigen werk. Voor ieder college kreeg hij duizend gulden. Een paar studenten hadden dat kennelijk niet begrepen, ze klaagden in het universiteitsblad dat hij zich er makkelijk van af maakte door steeds een uur lang zijn eigen cd's te draaien: een “superieure discjockey”. De commissie van toezicht van de leerstoel vroeg hem het tweede jaar ook ándere componisten te behandelen. Andriessen had er geen zin meer in. De gewone hoogleraar muziekwetenschap E. Mulder zei tegen KUNieuws dat ze dat niet zo erg vond: “Nee, eerlijk is eerlijk. Ik mag Andriessen graag, maar je moet wel je best doen.”

Goedkoper en sneller

Aarzeling over het wetenschappelijk niveau van de bijzonder hoogleraar, te veel vage leerstoelen, angst voor devaluatie van de titel. Maar wat veel belangrijker is: universiteiten hebben de bijzondere leerstoel steeds minder nodig om geld van buiten aan te trekken.

De Technische Universiteit Delft is “terughoudend” in het accepteren van nieuwe bijzondere leerstoelen. Delft heeft liever dat bedrijven geld beschikbaar stellen voor gewone hoogleraren en contractonderzoek. Ook de Technische Universiteit Eindhoven probeert de laatste jaren “zo min mogelijk” nieuwe bijzondere leerstoelen in te stellen. Rector-magnificus Rem: “Ik heb het altijd een vreemde weg gevonden, stichtingen die een hoogleraar mogen benoemen.” Eindhoven geeft net als Delft de voorkeur aan gewoon hoogleraren, vaak in deeltijd, die direct door het bedrijfsleven worden betaald.

Nieuwe bijzonder hoogleraren merken soms al dat ze minder hartelijk worden ontvangen. Het is niet meer vanzelfsprekend dat ze gratis beschikken over een computer, een secretaresse en een collegezaal. Volgens de secretaris van de stichting bijzondere leerstoelen van de Katholieke Universiteit Brabant moeten nieuwe leerstoelhouders in Tilburg binnenkort 5.000 gulden betalen om de kosten te dekken. De Erasmus Universiteit vraagt, vanaf dit academisch jaar, van bedrijven zelfs bijna een ton: voor de onkosten en om assistenten aan te trekken voor onderzoek.

De bijzonder hoogleraar was het eerste contact van de universiteiten met het bedrijfsleven. Nu worden universiteiten, en dat wil het ministerie in Zoetermeer ook, zelf ondernemer. De Erasmus Universiteit bijvoorbeeld heeft een eigen holding opgericht, met daarin de werkmaatschappij Erasmus Business Support Center waar al het onderzoek onder valt dat door bedrijven of instellingen wordt betaald. Het Business Support Center doet opdrachten voor bedrijven en grote adviesbureaus. Paul Velders, projectleider van het Support Center: “In het verleden hadden die misschien eerder gedacht aan een bijzonder hoogleraar. Dat komt volgens mij steeds minder voor. Ze willen direct resultaat afspreken.”

Voor de KLM werd het transport van vracht onderzocht en hoe dat goedkoper en sneller kan. Het project duurde tweeëneenhalf jaar, de universiteit werkte er met vijf mensen aan en een van de onderzoekers gebruikte de uitkomsten in zijn promotie-onderzoek. Het kostte de KLM een paar ton. “Niet duur voor het bedrijf”, zegt directeur Jan Dul van het Business Support Center. “En de universiteit leverde het een proefschrift op.”

Het onderzoekscentrum probeert relaties met bedrijven zakelijker te maken, zegt Dul. “Niet in de vorm van een persoon, maar een project. Met heldere afspraken over financiën en de uitkomsten. Bedrijven weten wat ze krijgen voor hun geld. Bij bijzonder hoogleraren is dat allemaal minder duidelijk. Dat is toch meer een vorm van sponsoring.”

De universiteit in Tilburg (133 gewoon, 41 bijzonder hoogleraren) kan er weinig nieuwe bijzondere leerstoelen meer bij hebben, zegt rector-magnificus De Klerk. Hij ziet voor de bijzonder hoogleraren “een way out”, een “nieuwe markt” in het post-academisch onderwijs van Tilburg, dat wordt betaald door bedrijven. Van iedere nieuwe bijzondere leerstoel zal Tilburg wel nauwkeurig nagaan of die past in wat De Klerk het mission statement van zijn universiteit noemt. “Als het bijvoorbeeld gaat over een branche als sociale wijsbegeerte, dan richten wij ons op bedrijfsethiek en filosofie van de wetenschap. Wij gaan voor de wat hardere disciplines. Softe, onduidelijke leerstoelen passen daar niet in.”

Er zal, denkt De Klerk, dan ook nauwelijks ruimte overblijven voor de oorspronkelijke bijzondere leerstoelen, de levensbeschouwelijke. In Tilburg is geen reformatorische of humanistische leerstoel. Hij zegt: “Er zit bij ons misschien hier en daar nog wel wat katholieks.”

En dat zal op den duur verdwijnen? De Klerk, de eerste rector-magnificus in Tilburg die niet katholiek is, grijnst breed. “Het is geen groeimarkt, nee.”