A. GREWEL 1935 -1998; Direct en eerlijk

Niet bekend

Grewel werd geboren in 1935 in Amsterdam. Als joods kind in de oorlogsjaren moest ze uit handen van de Duitsers zien te blijven. Elke dag die er na die oorlogsjaren bijkwam, zag ze als een extra gift.

Ze was behalve gemeenteraadslid (sinds 1986) en lid van de Eerste Kamer (sinds 1995) ook lid van het NOS-bestuur (sinds 1985) en voorzitter van de NVSH. Ze genoot bovendien bekendheid als wekelijkse columniste van het weekblad De Groene Amsterdammer.

“Ik beschouw mezelf niet als een opgewonden standje, ik probeer dingen juist rustig te analyseren. Maar ik bemoei me natuurlijk overal tegenaan”, zei ze in 1996 in een vraaggesprek met deze krant. “De meeste mensen zijn niet vrij. Gedragen zich verschillend in verschillende situaties. Ik niet. Ik heb geen tact. Het lijkt me ontzettend vermoeiend om niet jezelf te zijn. 't Is net als met leugens: je moet ze voortdurend zien te onthouden. De waarheid spreken is veel minder zwaar. Ik ben te lui om oneerlijk of onwaarachtig te zijn.”

Annemarie Grewel werd geboren als dochter van een psychiater-neuroloog en hoogleraar orthopedagogiek. Haar moeder werkte voor haar huwelijk in de nationale bibliotheek van Frankrijk in Parijs. Zelf vertelde Grewel in het vraaggesprek met deze krant dat zij is opgegroeid in een elitair maar ook bohémien gezin. Dat ze zou gaan studeren stond van meet af aan vast. Via haar ouders kwam zij in contact met de kunstenaarswereld. Zo was schilder Carel Willink een vriend van de familie.

Na het gymnasium-A studeerde Annemarie Grewel pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze tot 1987 wetenschappelijk hoofdmedewerker was. Van 1975 tot 1981 was ze voorzitter van de universiteitsraad. Daarna was ze tot 1989 vice-voorzitter van de Emancipatieraad.

Grewel, officier in de orde van Oranje-Nassau, vertelde in het vraaggesprek dat ze eigenlijk nooit anders dan PvdA had gestemd. “De laatste tijd is het een tikje haat-liefde. De partij toont geen smoel. Ik kan het mis hebben, maar het ging de PvdA toch oorspronkelijk om de herverdeling van macht, kennis en inkomen? Mij overvalt meer en meer het gevoel dat de sociale zekerheden afkalven, en dat mijn club daaraan bijdraagt.”