Woordvoerder van de Indo-Europeanen; Karel Zaalberg (1873-1928)

Ulbe Postma: Karel Zaalberg journalist en strijder voor de Indo. KITLV Uitgeverij, 482 blz. ƒ 65,-

Indo-europeanen waren kinderen van de koloniale relatie, ze waren ook het kind van de koloniale rekening. In elke Europese kolonie kwamen ze voor, de nakomelingen van Europese vaders en inheemse moeders, mestiezen, Eurasians, Anglo-Indians, veelal geminacht door de blanke vaders en op zoek naar een eigen positie. Sociaal vormden ze een tussenlaag tussen de kolonisator en de gekoloniseerde. In 1887 had een van hen de eigen groep in Nederlands-lndië nog omschreven als 'laag ontwikkeld, donkerder, gehaat door de Inlanders en zelf hatend de Nederlanders'. In de twintigste eeuw zouden ze hun opleiding bij de blanke toplaag zoeken. De dekolonisatie maakte hen evenwel tot slachtoffers zonder moederland, ze werden de eerste immigranten van een vaderland dat zich sinds kort multicultureel noemt.

In de na-oologse geschiedschrijving van het kolonialisme zijn Indo-europeanen ook bekneld geraakt en wel tussen de Europacentrische visies van de voormalige kolonisator en de Aziëcentrische benadering van de ex-gekoloniseerde. De biografie van de Indische journalist Karel Zaalberg, zelf Indo-Europeaan, biedt ons nu een geslaagde verbreking van de bestaande perspectieven.

Zaalberg (1873-1928) was auto-didact en self-made man. Onderwijs voor de Indo-Europeaan zou dan ook zijn leven lang het speerpunt vormen van zijn maatschappelijke actie; daarin werd het persoonlijke politiek. Zijn eigen ontwikkeling was van een indrukwekkende allure: van adressenschrijver met alleen lagere school tot hoofdredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad. Maar hij was meer dan journalist. Als krantenman met vele nevenfuncties werd hij de spraakmakende woordvoerder van de Indo-Europeanen, de bevolkingsgroep die zich vanaf l900 met, naast en tegen het Indonesisch nationalisme in organiseerde en emancipeerde. Hij was bestuurder van de in 1898 opgerichte Indische Bond, de eerste organisatie van Indo-Europeanen in Indië. Na 1919 raakte hij als oprichter en bestuurslid nauw betrokken bij het Indo-Europeesch Verbond (IEV), met meer dan 10.000 leden de grootste belangenorganisatie van deze bevolkingsgroep. Vanaf 1924 tot zijn dood vier jaar later vertegenwoordigde hij die partij in het Indische proto-parlement de Volksraad; al met al een glansrijke carrière.

Driehoeksverhouding

Zijn biografie speelt zich af binnen de driehoek van persoon, pers en politiek. Helaas is de auteur, die op dit werk in 1995 promoveerde, niet geheel ontsnapt aan de gevaren, een driehoeksverhouding eigen. Zaalbergs persoonlijk leven komt er wat bekaaid af. Tropen en tijd, oorlogen en witte mieren zijn nu eenmaal funest voor papieren. Voor de intiemere details van Zaalbergs leven kon Postma alleen beschikken over een interview met een enkele nazaat. Daardoor weten we niet veel meer dan dat Zaalberg een tiental jaren getrouwd is geweest dat zijn vrouw in 1908 overleed en hem met drie kinderen achter liet, waarover een zuster uiteindelijk de scepter zou zwaaien.

Er bleef gelukkig ander bronnenmateriaal over de productie van veertig jaar journalistieke arbeid. De krant was zijn leven; zij maakte bijna een eeuw later de reconstructie van zijn leven mogelijk. In de context van de scherp geanalyseerde ontwikkelingen in het koloniale bestel tussen 1890 en 1930 levert dat een verhelderende politieke biografie op.

Karel Zaalberg was de jongste zoon van een Indo-europese vrouw en een lagere Indische ambtenaar, die rond 1860 als militair naar Indië was gekomen en daarna al snel de sabel voor de pen had geruild. Door een tramongeluk invalide geworden, kon hij het schoolgeld voor een leergierige zoon niet opbrengen. Als vijftienjarige vond Karel een baantje als adressenschrijver bij de uitgever van het Bataviaasch Nieuwsblad. Hij was aan het goede adres. Deze krant stond onder leiding van de bekende hoofdredacteur en romanschrijver P.A. Daum. Die ontdekte al vrij snel Zaalbergs talenten en stuurde hem uit op het stad- en kampong-nieuw van moord en brand, relletjes en vechtpartijen.

In de kolonie, waar tot 1905 elk vertegenwoordigend lichaam ontbrak had de pers een bij uitstek politieke functie: zij was vrijwel de enige uitlaatklep voor publiek (on)genoegen en politieke verlangens. Daardoor was zij, ondanks de beperkte vrijheid van drukpers, de onbetwiste meester in het maatschappelijk debat en het enige tegenwicht voor een autocratisch regime. Het Bataviaasch Nieuwsblad, vervulde deze kritische rol met verve. In een maatschappij zonder veel sociale vangnetten deed de jonge Zaalberg bovendien aan 'sociale' journalistiek. Men kon met persoonlijke klachten bij hem thuis terecht.

Journalistiek was dag- en nachtwerk. Met vier of vijf redacteuren werden twaalf pagina's gemaakt, die onder de vier tot zes duizend abonnees verspreid werden. De lezerskring bestond vooral uit Indo-Europeanen. Eind 1908 werd Zaalberg, na bijna twintig jaar redactiewerk, tot hoofdredacteur benoemd. Hij werkte er samen met de meest uiteenlopende figuren uit de Indische journalistiek. Eduard Douwes Dekker, de Indo-Europese achterneef van Multatuli die voor het Indonesische nationalisme zou kiezen, H.C. Zentgraaff, in de jaren dertig sympathisant van NSB en fascisme, en later met J.H. Ritman, hoofd van de regeringsvoorlichting vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog.

Dat Zaalberg en Douwes Dekker rond 1910 in hechte vriendschap konden samenwerken, illustreerde een gedeelde sociale bewogenheid en belangstelling voor het opkomend nationalisme. Die samenwerking was ook tekenend voor de geringe politieke polarisatie in die periode. De definitieve breuk kwam in 1912, toen zij verschillende partij-politieke wegen gingen. Zaalberg was betrokken bij een voorzichtige hervorming van de kwakkelende Indische Bond. De daadkrachtiger Douwes Dekker wilde meer: een 'monsterbeweging voor burgerrechten' van een aantal Indo-Europese en Indonesische partijen. Het resultaat was beperkter: een nieuwe organisatie, de Indische Partij, waarin alle bevolkingsgroepen terecht konden. De Indische Partij was het levend bewijs van een associatie-ideaal van alle bevolkingsgroepen, maar ook een optimistische ontkenning van de raciaal gestratificeerde koloniale werkelijkheid. Niet die ontkenning vormde echter het breekpunt tussen de twee collega's-vrienden; wel - naast persoonlijke rivaliteit - het verschil tussen twee opties: zelfstandigheid voor Indië (Douwes Dekker) of hoogwaardig Nederlands onderwijs (Zaalberg).

Patstelling

Douwes Dekker en Zaalberg zochten een oplossing voor hetzelfde probleem de sociaal-economische beknelling van de Indo-europeaan. In Postma's werk komt de patstelling van de Indogroep in de koloniale samenleving schrijnend scherp naar voren. Indo-Europeanen behoorden juridisch tot de Europese bevolkingsgroep, dit in tegenstelling tot Anglo-Indians in Brits-Indië die tot de inheemse groep werden gerekend. In Nederlands-Indië hingen Indo-europeanen echter aan de onderkant van de groep der meest bevoorrechten. De helft van hen werkte rond 1900 als klerk en commies bij ambtenarij en bedrijfsleven. Ten gevolge van het verbod op landbezit voor Europeanen, konden zij niet in de landbouw terecht. Maar ook als die optie wel toegankelijk zou zijn geweest, is het de vraag of men daarmee veel verder gekomen zou zijn. Een lange lijdensweg tekent immers de geschiedenis van Indo-europese landbouwkolonies. Zaalberg geloofde er in ieder geval niet in.

De rond 1900 geïntroduceerde Ethische Politiek bood de Indo-europeaan ook al geen soelaas. Het ethisch ideaal van koloniale staatsvorming, groeiende zelfstandigheid van Indië en economische ontwikkeling van de Indonesische bevolking, zou onder Nederlandse leiding gerealiseerd moeten worden. Dat vroeg om een hoog gekwalificeerd, in Nederland opgeleid kader. Nederlands-Indië werd daaroor in de twintigste eeuw cultureel kolonialer, want meer afhankelijk van Nederland. De socioloog J.A.A. van Doorn heeft er in 1994 nog eens op gewezen, dat de snel groeiende groep Nederlanders in de kolonie (de totok) inderdaad uitzonderlijk hoog geschoold was. Wilde de Indo-europeaan zijn positie behouden of verbeteren, dan moest hij naar Nederland voor zijn opleiding. In Indië waren de mogelijkheden tussen 1890 en 1920 eerder verminderd dan gegroeid. In 1894 was de officiersopleiding voor het KNIL in Indië omgevormd tot een vooropleiding voor militaire academies in Nederland; in 1913 was ook de opleiding tot ambtenaar bij het Nederlands bestuur gesloten. Hoger onderwijs startte hier pas in 1920; een hogeschool voor tropisch landbouwonderwijs is er bijvoorbeeld in Indië nooit gekomen.

Voor Zaalberg lag de oplossing van dit structurele probleem in uitbouw van het Europees onderwijs in Indië zelf. Dat zou de minder bemiddelde Indo-europese groep een betere concurrentiepositie verschaffen, zowel ten opzichte van de uit Nederland afkomstige deskundigen als ten opzichte van geschoolde Indonesiërs. Het zou ook de weg effenen naar eenzelfde leiderspositie als de blanke. Zaalberg zocht de uitweg uit het dilemma van de mestiezengroepering dus in aansluiting bij de Nederlandse elite en in de verwestersing of modernisering van de koloniale samenleving. Daarom ook achtte hij belangstelling voor Indonesische voorouders/-moeders een stap terug, namelijk van een remmend conservatisme. Daarom ook zou het Indo-Europeesch Verbond (IEV) op zijn aandringen het lidmaatschap in 1919 openstellen voor blanke Nederlanders.

Was Zaalberg de cultureel georiënteerde reformist, Douwes Dekker ontwikkelde zich als de politiek gerichte revolutionair. Hij was bijna redacteur van het blad van de eerste nationalistische vereniging Boedi Oetomo geworden en opteerde na terugkeer van zijn reizen naar India, Algiers en Europa in 1910, voor ontbinding van de koloniale verhouding. Hij zou uiteindelijk een Indonesische naam aannemen en als Islamiet sterven. Daarmee was het uiteengaan van beide protagonisten veel meer dan een verloren vriendschap. Zij tekenden de twee wegen die men als Indo-Europese groep kon kiezen, die van aansluiting bij de Indonesische bevolking of bij de Nederlanders. De overgrote meerderheid der Indo-europeanen zou de weg van Zaalberg bewandelen. Zij werd hierin ook gesterkt omdat de islam identificatie met de Indonesische bevolkingsgroep belemmerde. Die weg moest evenwel uiteindelijk naar Nederland zelf leiden. Voor Zaalbergs ideaal, een opgeleide Indo-groep die als nieuwe leiders van de zelfstandige archipel zou optreden, was na 1945 geen plaats.

De jaren tien waren voor Zaalberg een weinig gelukkig decennium. Als weduwnaar met drie kinderen, kreeg hij te maken met een drank-probleem, terwijl ook het kaartspel hem bovenmatig aantrok. Zijn hoofdredacteurschap van het Bataviaasch Nieuwsblad werd hem twee keer tijdelijk ontnomen; hij ervoer aan den lijve wat een faillissement betekende. Deze ervaringen vergrootten zijn wat cynisch realisme.

Conservatisme

In de jaren twintig wist het Indisch bedrijfsleven door aankoop van verschillende bladen zijn greep op de Nederlandstalige pers te versterken. Het is een nieuw gegeven van dit onderzoek, dat het groeiend conservatisme van de Europese pers verklaart. Zaalberg, sinds 1919 opnieuw hoofdredacteur van het nu meer regeringsgezinde Bataviaasch Nieuwsblad, schoof geleidelijk mee naar rechts. Van zijn sociale kritiek uit zijn eerste jaren was weinig meer over. Kort voor zijn dood in februari 1928 zou hij in de Volksraad zelfs stemmen tegen de 'inlandse meerderheid', het regeringsvoorstel dat de verhoudingen tussen Europeanen en Indonesiërs in de raad van 30-25 naar 25-30 zou brengen. Het was zijn laatste politieke daad; toen haalde zijn astmatische bronchitis hem voorgoed in.

Postma heeft een knappe analyse geschreven van Zaalbergs mentale en politieke ontwikkeling en zijn veranderende functie als journalist. Door de veelheid aan gegevens is het een rijk boek geworden, dat ook inzicht geeft in de fijne kneepjes van de Indische politiek in het eerste kwart van deze eeuw. Het bewijst opnieuw de sociale en politieke paradoxen van het kolonialisme, en tekent de Indo-europeanen niet alleen als slachtoffer, maar ook als actor binnen de smalle marges van het Nederlands kolonialisme.