Waterfietsen naar Kamtsjatka

Saskia van der Valk: Wolfsgebroed. L.J. Veen, 142 blz. ƒ 24,90

Een grootmoeder ligt in bed in een ziekenhuis en krijgt haar kleindochter op bezoek. Ze luistert naar het gebabbel van het meisje, en denkt: 'Kind, als jij nu niet onmiddellijk je rode mondje dichthoudt, trek ik je beeldige poppenkopje eraf.' In deze grootmoeder schuilt een bloeddorstige wolf; dat doet denken aan een oud sprookje, over een grootmoeder die in een wolf zit.

Veel van de verhalen in Wolfsgebroed, het tweede boek van Saskia van der Valk (1960), hebben sprookjesachtige, fantastische elementen. Deze sprookjes zijn echter niet voor kinderen geschreven, daarvoor zijn ze te verontrustend: het eindigt vaak raadselachtig, zelden leven ze nog lang en gelukkig. De wolfachtige grootmoeder heeft niets van de lieve dametjes die deze rol doorgaans vervullen in sprookjes. Verbitterd maakt ze de rekening op van haar leven: ze heeft nooit van iemand gehouden, niet van haar man, natuurlijk een jager, en niet van de vijf zoons die ze op de wereld heeft geschopt. Met fantasieën over haar wolvennatuur probeert ze een verspild bestaan te rechtvaardigen.

'De dagen nadat ze het brommerzadel had opgegeten en Blauwman haar dientengevolge sloeg, was Ul verbolgen.' Dit is een van de intrigerende beginzinnen waar de schrijfster het patent op lijkt te hebben. Van der Valk beheerst verschillende stijlen: in 'Memento Mori' hanteert ze de plechtige en zorgvuldige toon die past bij de achttiende-eeuwse hoofdopzichter van een begraafplaats die zich het hoofd breekt over de vraag waar plaats is om een olifant te begraven. En in 'Hainuwele' schrijft ze in het idioom van de exotische legende.

In elk verhaal gebeurt wel iets vreemds, iets bovennatuurlijks - of dat lijkt zo, want de verhalen zijn zo sterk gekleurd door de psychische toestand van de personages dat van een betrouwbaar verslag van de werkelijkheid geen sprake kan zijn. Dat was al zo in Van der Valks eerste verhalenbundel Nachtlichaam, waarin een reis door West-Afrika beschreven wordt door de ogen van een verwarde en angstige jonge vrouw. In Wolfsgebroed tilt de ongebreidelde fantasie de personages uit boven de troosteloze realiteit waarin ze leven, een wereld waarin geweld, wraak en gestoorde verhoudingen aan de orde van de dag zijn.

De schrijfster vertelde onlangs in het radioprogramma De avonden dat haar personages vaak verliezers zijn, die ze een middel in handen probeert te geven om wraak te nemen. Dat middel is meestal denkbeeldig, zoals in het laatste verhaal 'Kort nat', tevens het geslaagdste van de bundel. Het is een absurd reisverhaal, gebaseerd op een idee dat iedere reiziger wel eens door het hoofd is geschoten: wat als ik hier nu eens niet uitstap, maar gewoon blijf zitten. Zo besluiten drie jongens en een meisje die in de Amsterdamse grachten aan het waterfietsen zijn door te gaan naar een willekeurige bestemming: Kamtsjatka, een schiereiland in het noordoosten van Rusland. 'Dus trapten we ons na Kornwerderzand tussen Vlieland en Terschelling door en dan rechtuit richting Skagerrak.' De ik-verteller is ooit afgewezen door het meisje, Barbara. Zijn gedachten dwalen regelmatig af naar martelmethodes waaraan hij het meisje bij wijze van wraak zou willen onderwerpen: 'Ik gooide een ijspapiertje naar de duiven, waar ze hongerig op aanvielen (Barbara met ijs insmeren en dan die duiven...).' Na 2000 kilometer waterfietsen, langs de Deense kust, door de Barentszee en de Oost-Siberische ijszee, bereiken ze Kamtsjatka. 'Eindelijk dachten we dan wel in het Guinness Book of Records te komen onder het kopje “Het verst gewaterfietst”, maar dat viel tegen, want later bleek dat je er een getuige van het boek bij moest hebben en we zagen ons al met zo'n man in driedelig kostuum achterop, er was bovendien helemaal geen plaats voor hem, nee, we piekerden er niet over.'