Vijfluik over utopie en verraad van de socialistische droom

Voorstelling: Wolokolamsker Chaussee I-V, van Heiner Müller, door Theater Antigone en het Kaaitheater. Vertaling: Patricia De Martelaere; regie: Peter van Kraaij; toneelbeeld: Ann Weckx en Bart Van Overberghe. Gezien: 24/2 Toneelschuur, Haarlem. Tournee (NL en Vlaanderen) t/m 31/3. Inl 0032-56-226870.

Het is een merkwaardige gewaarwording om, zelf op een tribune gezeten, tegen een andere tribune aan te kijken. De mensen op die andere tribune trekken zich niets van de pottenkijkers aan de overkant aan. Ze rommelen wat in documenten en houden gefluisterde onderonsjes. De sfeer is er een van een rechtszaal voordat de zitting begint. Ja, de tribune aan de overkant verandert in een tribunaal, maar wie of wat wordt er berecht?

Op tv-schermen trekken oude propagandafilmpjes voorbij. Prikkeldraadversperringen, gewapende grenswachten, de bouw van de Muur. Een Koude-Oorlogsstem: From then on peaceful coexistence was no more than a theory. Het is De Geschiedenis die hier terechtstaat, De Geschiedenis die altijd fout moet lopen, ook in de DDR.

In zijn autobiografie noemt Heiner Müller zijn toneeltekst Wolokolamsker Chaussee I-V een requiem, gemaakt met de blik op het einde van het socialisme in Oost-Europa. Die autobiografie ontstond na de Val van de Muur, dus wat dat betreft heeft Müller makkelijk praten. Maar het is waar dat de tussen 1984 en 1987 ontstane cyclus zowel de utopie omvat als het verraad van de socialistische droom. En daarom is Wolokolamsker Chaussee... behalve een requiem ook een aanklacht.

In Peter van Kraaij's enscenering verschijnen, nadat het tv-geweld is verstomd, op de tribune één voor één een paar naamloze figuren. Voor zichzelf en voor het publiek leggen zij verantwoording af over hun twijfelachtige daden. Ze staan terecht en toch is het van meet af aan onmogelijk om deze bevelhebbers, partijbonzen en bureaucraten te veroordelen, want de tragiek straalt van hen af. Daders zijn het en slachtoffers tegelijk: ze wilden het goede maar maakten het erge nog erger. Neem nu de Russische commandant in het eerste deel.

Deze man, grijs wollen vestje aan, type brave-huisvader, herinnert zich hoe hij in het oorlogsjaar 1941 besloot een soldaat te executeren die bij een gefingeerde aanval van de Duitsers het bos in was gevlucht. Op die manier probeerde hij zijn bange manschappen in het gareel te krijgen: 'Ik wist/ alleen verschrikking kan de angst verdrijven.' Jaren later lijdt hij nog steeds onder dat uit nood geboren besluit.

En neem nu de directeur in deel drie. Het is 17 juni 1953, er is een arbeidersopstand uitgebroken in Oost-Berlijn. De directeur, die onder Hitler in het verzet zat en dat met gevangenisstraf moest bekopen, ziet de Russen nog steeds als de bevrijders. Met smart wacht hij op hun tanks en hij begrijpt er niets van dat die tanks voor de jongere generatie juist hèt symbool van onderdrukking zijn.

Tanks fungeren in deze cyclus als een leidmotief. Müller beschrijft de routes van de pantsers van Berlijn naar Moskou en omgekeerd: eerst het traject van Hitlers tanks oostwaarts, daarna de weg westwaarts toen de Sovjetrussische pantsers Hitlers aanval terugdreven en meteen heel Oost-Europa onder communistische heerschappij brachten. Steeds passeren de tanks het stadje Wolokolamsk. Via een bandrecorder vernemen we het gekreun en geknars van die oprukkende gevechtsvoertuigen, en vaak waait er door de luidsprekers ook een ijzig koude wind. De voorstelling lijkt soms op een hoorspel, met tikkende metronomen en stemmen die nu eens live en dan weer op de band weerklinken. En dan lijkt de voorstelling weer op een oratorium, met een nauwkeurige rolverdeling tussen koor en solisten, of op een gedicht, met hortende, dreunende, deinende ritmes in een glasheldere nieuwe vertaling van schrijfster Patricia de Martelaere.

Dit voor het eerst integraal in het Nederlands gespeelde vijfluik is een ragfijne compositie, die van de acteurs veel beheersing vereist. Josse De Pauw, Jos Verbist en Carla Mulder (de ouderen in de vaak op een generatieconflict uitdraaiende tekst) en Robbert So en Robijn Wendelaar (de jongeren) moeten niet alleen hun personage spélen maar er ook naast of tegenover staan, want meestal zijn het gespleten figuren. Die nooit te realistisch mogen worden omdat Müller net als zijn leraar Brecht in de theorie van de vervreemding geloofde. Hij leerde gelukkig ook van Brecht dat je het publiek van tijd tot tijd best mag vermaken.

Het vierde deel is een farce, een groteske, een uitbundige satire op bureaucratie en Staatssicherheitsdienst: een schlager galmt door de zaal, een rood doek wordt over de spelerstribune getrokken en uit een gat in het midden komen twee eveneens roodgedoekte koppen tevoorschijn. Het werk van die koppen bestaat uit het produceren van staatsvijanden en vlijtig gaan zij aan het werk, waarbij het houterig-kluchtige gebarenspel rechtstreeks afgekeken lijkt te zijn van het vertrouwde duo Jan Klaasen & Katrijn. En zo kunnen we toch nog eventjes lachen.