Tien jaar bestrijdingsmiddelenbeleid; Een nationaal probleem vervaagt

Tien jaar lang heeft Fred Baerselman het bestrijdingsmiddelenbeleid gecördineerd. Geen sinecure, met vijf betrokken ministeries, een toeziend College en veel belanghebbenden. Het gebruik is in die tijd sterk afgenomen, en de traditionele ruzies tussen VROM en Landbouw ook - ze hebben allebei minder te vertellen gekregen, de EG des te meer.

Toen hij tien jaar geleden begon leek het hem een aardig motto: “De gewasbeschermingsmiddelen de wereld uit, te beginnen met Nederland.” Maar, zegt hij nu, “daar kijk je al gauw wat genuanceerder tegenaan. In Nederland zou het misschien nog wel kunnen, we zijn rijk genoeg. Maar mondiaal? No way. Als zich de ondenkbare situatie zou voordoen dat de wereldbevolking de helft van de huidige is, misschien zou het dan kunnen.”

Drs. Fred Baerselman was tot voor kort coördinator bestrijdingsmiddelenbeleid op het departement van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Nu is hij door het ministerie gedetacheerd bij het Wereldnatuurfonds, wat meer overeenkomt met zijn eerdere ambtelijke levens in natuurbescherming en -beheer.

Over hetgeen is bereikt bij de terugdringing van het gebruik van landbouwgiffen kan hij, terugblikkend op de afgelopen tien jaar niet ontevreden zijn. “Natuurlijk kan het nog beter. Maar tegen milieu-activisten die menen dat op elke plek in dit land alle leven mogelijk moet zijn, zeg ik: wat had u dan op de middelste baan van de snelweg gedacht? In een geïndustrialiseerde samenleving zijn en blijven er plaatsen die volledig door de mens in beslag worden genomen. Dan moet je accepteren.”

Het coördineren van het bestrijdingsmiddelenbeleid in Nederland is een lastige opgaaf. Het beleid is gebaseerd op de Bestrijdingsmiddelenwet van 1962, die sindsdien een aantal malen flink is gewijzigd. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wet ligt bij niet minder dan vier bewindslieden. De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is verantwoordelijk voor het deel dat gaat over de gewasbeschermingsmiddelen. Staatssecretaris Terpstra (VWS) gaat over wat tegenwoordig de 'biociden' heten. Dat zijn stoffen die in allerlei sectoren buiten de landbouw worden toegepast. Desinfectantia in de gezondheidszorg, impregnatie-vloeistoffen bij houtverwerkende bedrijven, anti-aangroeiverven voor schepen, schimmelbestrijders voor op tentdoek, het zijn allemaal biociden en hoewel ze veel minder aandacht krijgen dan gewasbeschermingsmiddelen worden ze grosso modo wel evenveel gebruikt.

Het ministerie van VROM draagt directe verantwoordelijkheid voor de milieukant, terwijl het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een taak heeft op het vlak van arbeidsveiligheid. “Verkeer en Waterstaat heeft geen directe verantwoordelijkheden op dit vlak, maar je kunt je voorstellen dat ze wel permanent in de gang staan te roepen. De gefragmenteerde verantwoordelijkheid voor Bestrijdingsmiddelenwet is dus een uitgesproken monstrum. Er zou één minister voor moeten staan.

“Naast de genoemde vijf ministeries heb je ook constant te maken met het College dat over de toelating van bestrijdingsmiddelen oordeelt. Daarnaast heb je dan nog de maatschappelijke actoren, zoals boeren en hun organisaties, de milieubeweging en de bedrijven die de stoffen op de markt brengen met hun koepel Nefyto, de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie. Dat alles coördineren is een complexe klus,” aldus Baerselman.

Tien jaar geleden werd hard geroepen om vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. “Het was een duidelijk nationale aangelegenheid. Er bestond tussen de twee meest betrokken ministeries - Landbouw en VROM - ook een echte 'vechtrelatie'. Er waren veel incidenten en de maatschappelijke druk was enorm. De enigen die zich bezighielden met de problematiek waren de 'traditionele' techneuten in Wageningen, die geweldig veel verstand hadden van de chemische en toxische kant van de zaak, maar natuurlijk niet waren gepokt en gemazeld in het uitzetten van overheidsbeleid. Probleem was dat het ministerie van Landbouw per definitie verdacht was, want dat stond voor de belangen van de boer. Maar mijn persoon kon moeilijk verdacht genoemd worden, want ik had me in de jaren daarvoor op het ministerie van Landbouw nogal sterk gemaakt voor alles wat met natuur- en milieubelangen te maken had. Ik werd dus in staat geacht bruggen te bouwen.”

De spanning tussen LNV en VROM is in de loop der jaren sterk afgenomen, wat niet in de laatste plaats kan worden verklaard door het feit dat het beleid in toenemende mate wordt bepaald door de EU en de OECD. “Die spanning is eigenlijk geheel verdwenen. Sterker: de situatie is nog wel eens omgekeerd. Dat wij zeggen: dit kun je het milieu niet aan doen, terwijl VROM zegt: dat gaat te veel ten koste van de boer.”

Tien jaar geleden was er geen stelsel van milieunormen en -criteria, waaraan stoffen en toepassingen moesten voldoen, nu wel. “Het enige terrein waarvoor nog geen stelsel van normen en criteria bestaat is dat van de arbeidsveiligheid. Daar zal de discussie de komende tijd dus vooral over gaan,” aldus Baerselman. “Je moet je realiseren dat bestrijdingsmiddelen per definitie gifstoffen zijn. Ze hebben de taak om te killen. En die stoffen brengen we willens en wetens in onze omgeving. De bedoeling is daarbij dat ze het gewas voor de ondergang behoeden, maar tegelijkertijd moet je er dan wel voor zorgen dat de mensen die er mee werken geen schade oplopen.”

“Het is niet alleen bestuurlijk een complexe materie, maar ook technisch. De stoffen die worden gebruikt worden steeds specifieker. Vroeger had je veel producten met een 'breed spectrum', ze legden zoveel mogelijk plat. Tegenwoordig zijn ze gericht op een enkele boosdoener.”

Tien jaar geleden klonk de roep 'om iets aan die rotzooi te doen'. “Daar zijn we boven verwachting in geslaagd,” zegt Baerselman. “De milieubelasting is afgenomen, er is een scherper beleid op het punt van wat je waarvoor mag toepassen en alle stoffen die op de markt zijn worden opnieuw beoordeeld. Tussen nu en vijf jaar zullen alle nu op de markt zijnde stoffen opnieuw kritisch worden bekeken op grond van de nieuwste wetenschappelijke inzichten.”

Baerselman zou er voorstander van zijn dat daarbij ook de 'natuurlijke stoffen' worden betrokken die in de biologisch-dynamische en de ecologische landbouw worden gebruikt. “Ik hoor die boeren dan zeggen dat ze uitsluitend met stoffen uit de natuur zelf werken. Dat klinkt wel aardig, maar met geconcentreerde nicotine of zwavel kun je aardige rampen aanrichten.”

Uit de cijfers blijkt Baerselmans gelijk. In de jaren '84 tot '88 werd in Nederland per jaar 603 ton insecticiden en acariciden (tegen bijtende insecten) gespoten, vorig jaar 403 ton. De hoeveelheid herbiciden liep in die periode terug van 3.854 tot 2.922 ton. Van grondontsmettingsmiddelen werd in de jaren '84 tot '88 nog 10.247 ton verkocht, vorig jaar was dat teruggelopen tot 1.599 ton. De afzet van 'overige middelen' is gedaald van 1.218 naar 193 ton. Alleen het gebruik van fungiciden (tegen schimmels) is na een dip in '96 weer opgelopen van 4.039 tussen '84 en '88 tot 4.360 ton vorig jaar. Die toename wordt toegeschreven aan de warme, vochtige zomer, waardoor de 'ziektedruk' erg hoog was.

“Volgens het meerjarenplan van 1991 zou het gebruik van de bestrijdingsmiddelen in het jaar 2000 gehalveerd moeten zijn. Dat is dus al lang gehaald. Maar over de hele linie wel te verstaan. Bij een aantal productgroepen niet. Dat blijft dus zorgelijk.”

Dat het beleid succes heeft valt volgens Baerselman onder meer te verklaren uit een grotere bewustwording onder boeren. “Daarbij komt dat het spul niet goedkoop is. Dus als een boer verantwoord kan minderen zal ie dat doen. Maar ook van het bedrijfsleven zie je duidelijke inspanningen. Ze zijn natuurlijk kwetsbaar, zo is bij milieuschandalen gebleken, dus nemen ze hun verantwoordelijkheid. Maar ook chemisch-technisch zijn de producten er zodanig op vooruit gegaan dat de niet noodzakelijke vervuiling is verdwenen. Het is meer maatwerk geworden.”

Er zou volgens Baerselman in de euforie wel een heel schraal pakket aan bestrijdingsmiddelen kunnen ontstaan. “Daar moet je voor oppassen. Als je tegen een bepaalde ziekte nog maar één product kunt inzetten, waartegen de veroorzaker ook nog eens resistent is, dan kun je als boer geen kant meer uit. En denk er om dat een akkerbouwer die op zo'n moment zijn aardappeloogst verloren ziet gaan een uitvlucht gaat zoeken. Die komt dus in een illegaal circuit terecht en dan is de ramp niet te overzien. Dan zijn al je inspanningen voor niks geweest. Je moet er als overheid dus op toe zien dat er een behoorlijk en relatief veilig pakket aan bestrijdingsmiddelen blijft bestaan.

“Als de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor de samenleving, heeft ze die voor het milieu, maar ook voor de boer. Dat moet je in de hand hebben en houden. En wat dat betreft ben ik minder optimistisch. Je ziet op allerlei vlakken dat de overheid terugtreedt en de verantwoordelijkheid delegeert aan die maatschappelijke actoren. Dat is een mammoettanker die nauwelijks nog valt bij te sturen, maar ik ben er zeker van dat de zaak uit de hand loopt als de overheid zich op dit punt terug zou trekken.”