Robert Michels: Zur Soziologie des Parteiwesens, 1911

Robert Michels: Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie, 1911. Kröner. ƒ 11,30

Robert Michels kom je op de gekste plekken tegen. In politiek-ideologische zin is er geen peil op te trekken. Het ene decennium is Michels (1876-1936) een intellectuele vader voor radicale democraten, tien jaar later kan hij net zo makkelijk wrokkige conservatieven adviseren. Alleen de vijand is steeds dezelfde: dat is de burgerlijke representatieve democratie.

Zo is het de hele eeuw door gegaan. De fascist Mussolini, de bolsjewieken Lenin en Trotski, de 'rode gardiste' mevrouw Mao of de studentenleider Dutschke, ze waren allemaal schatplichtig aan Michels. Zelfs de klacht van de historicus Oerlemans, die bijna tien jaar geleden in De één-partijstaat alarm sloeg over het feit dat Nederland door 0,3 procent van de bevolking wordt geregeerd, leek door hem geïnspireerd.

Waarom is Michels van alle markten thuis? Omdat een maatschappelijk betrokken romanticus, van welke pluimage dan ook, altijd wel iets van zijn gading kan vinden in Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie, de studie uit 1911 waarmee de toen nog socialistische socioloog Robert Michels bekend werd. Daarom wordt zijn 'ijzeren wet van de oligarchie' sindsdien her en der, al dan niet met bronvermelding, gebruikt om het bureaucratische en grijze karakter van de massa-democratie te hekelen.

Niet toevallig is vooral de sociaal-democratie daarbij meestal de steen des aanstoots geweest. Michels had zijn sociologische these over de onvermijdelijke oligarchisering van de democratie met opzet toegepast op de socialistische partij. Ten eerste omdat hij zelf lid was geweest van de SPD. Ten tweede omdat hij vermoedde dat, als zijn theorie op deze partij, de meest revolutionair-idealistische en demoratisch-doelgerichte van die dagen, van toepassing was zij ook het gedrag van alle andere massapartijen kon verklaren. In een democratische maatschappij speelt de massa immers een cruciale rol. Maar dat kan ze alleen als haar invloed zich in een organisatie articuleert. Zonder leiding kan een organisatie op haar beurt niet overleven en dus moet de basis zich schikken naar de top. Het gedrag beneden blijft echter een bron van zorg. Om deze onzekerheid in goede banen te leiden, organiseren de leiders zich in eigen kring in een oligarchie die alleen open staat voor de meest getalenteerde 'runners up'.

Michels was, toen hij Zur Soziologie des Parteiwesens schreef, nog marxist. Maar wel een van het voluntaristische soort, hetgeen van beslissende betekenis was voor zijn denken in theorie én praktijk. Op de rigide opvatting dat de materële basis het klassenbewustzijn bepaalt, had hij bijvoorbeeld meteen al een paar amendementen. Het proletariaat kende zijn onderdrukte positie niet uit de aard der zaak, het was zich emotioneel en rationeel bewust geworden van zijn klassenstatus door zijn burgerlijke leermeesters. Michels, zoon van een rijke katholieke koopman en opgeleid als officier, was daarvan zelf een voorbeeld. 'De geschiedenis der mensheid is rijk aan ironie. De bourgeoisie is de tragische rol ten deel gevallen als leermeester op te treden van de eigen economische en maatschappelijke doodsvijand.'

Nadat deze 'geleerden' dit de arbeidersklasse hadden ingepeperd, voltrok zich volgens Michels een tweede wending in de proletarische beweging: het socialisme moest een massa- én machtsorganisatie worden, op welhaast militaire leest geschoeid. Zoals het leger de adellijke en burgerlijke jongens losweekte van hun klasse en de kerk aan boeren en kleine luyden de kans op maatschappelijke emancipatie bood, zo plaveide de sociaal-democratische beweging voor de 'intelligentste arbeiders een relatief gemakkelijke weg naar de top'.

De gevolgen waren immens. Niet de emancipatie van allen was nog het doel waarnaar men streefde, maar de eigen opmars in de hiërarchie van de eigen autoritaire en gedisciplineerde organisatie. Dat de nieuwe proletarische elite zich zo van haar achterban vervreemdde, werd op de koop toegenomen. De arbeiderspartijen, die eens niets meer te verliezen hadden dan hun ketenen, hadden immers nu wel degelijk iets te verliezen. 'Politieke organisatie voert tot macht' en 'participatie in de macht maakt conservatief', aldus Michels.

In een organisatie die zo van middel tot doel was geworden, was oligarchisering het onvermijdelijke resultaat. 'De organisatie is de moeder der gekozenen over de kiezers (...), van de gedelegeerden over de delegerenden'. Alleen als de leiding in handen lag van deze eerste groep was continuïteit verzekerd. De enige dynamiek, die nog mogelijk was, verschool zich in de onderlinge concurrentie der oligarchen. 'Voortdurend breken nieuwe golven op atijd dezelfde branding. Dat is de meest wezenlijk essentie van de partijgeschiedenis. (...) De persoonlijke dictatuur onderscheidt zich qua werking niet wezenlijk van de dictatuur van een groep oligarchen', aldus Michels over de SPD van 'keizer Bebel', jaren voordat de bolsjewieken in de Sovjet-Unie dit adagium met hun almachtige 'secretaris-generaal' en 'nomenklatoera' echt in de praktijk zouden brengen.

In zeker zin werkte Michels met deze 'ijzeren wet' de axiomata van zijn beroemde tijd- en landgenoot Max Weber (1864-1920) nader uit. Maar anders dan Weber, kon Michels zich niet met zijn eigen analytische model verzoenen. Hj wilde niet alleen de werkelijkheid beschrijven, hij wilde haar uiteindelijk ook bestrijden. Elke vorm van structureel gedelegeerde democratie was hem een gruwel. Want 'zoals altijd en overal betekent succes in de democratie de dood van het idealisme'.

Eerst dacht hij het Pruisische socialisme met de Franse slag te lijf te kunnen gaan. Het veel spontanere syndicalisme was in zijn ogen een remedie tegen de oligarchisering van de arbeidersbeweging. Later, mede onder invloed van zijn vriend George Sorel, trok hij de lijn van zijn elite-theorie nog consequenter door. Hij ging het heil zoeken in het voluntarisme van de daad. Nee, niet bij Lenin, die andere leerling van Sorel. Mussolini werd het nieuwe perspectief.

Dat Robert Michels buiten zijn wetenschappelijke werk een politieke zwerfkei was, zegt niet alleen iets over hemzelf maar ook over zijn theorie. Want eeuwigheidswaarde had zijn ijzeren wet toch niet, zo bleek veel sneller dan menig Michelsiaan wilde weten.

In een voortreffelijke inleiding bij de eerste, pas in 1969 verschenen, Nederlandse vertaling Democratie en organisatie heeft de socioloog J.J.A. van Doorn erop gewezen dat Michels een typische representant was van de continentale arbeidersbeweging. Voor de ontwikkeling van de democratische instituties en organisaties in bijvoorbeeld Engeland en de Verenigde Staten had hij geen oog. De veranderingen in het bedrijfsleven, waar bijvoorbeeld de naamloze vennootschap het begin was van wat tegenwoordig 'shareholders democracy' heet, zag hij evenmin. De wisseling van de wacht tussen oligarchieën was voor hem een lineair proces, geen uiting van kantelende machtsverhoudingen binnen een breed geschakeerde 'polyarchie' waarbij elites niet alleen, binnen een oligarchie, met elkaar concurreren maar elkaar ook groepsgewijs de loef moeten afsteken. Oligarchisering leidde dus niet overal en altijd tot een gesloten wereld. Ook politieke partijen raakten, naarmate ze succesvoller waren, onderworpen aan wisselende machtsverhoudingen die zich niet meer ééndimensionaal lieten analyseren.

Op Michels theorie is tegen het eind van deze eeuw alleen nog maar meer af te dingen. Zo keren zelfs 'directe democraten' zich niet meer louter tegen dé politiek maar zoeken het alternatief in internet en andere media. Eén ongerijmd bewijs voor zijn romantische verwijt blijft na bijna honderd jaar niettemin overeind. De democratische massapartij is, voorzover ik weet, nooit onderwerp geweest van literaire verwerking. Het zijn in de twintigste eeuw de Micheliaanse critici van de representatieve democratie geweest die zich in poëtica hebben laten gelden, nu eens ter linker- dan weer ter rechterzijde. De oligarchen hebben, buiten hun kring, nimmer stem gekregen. Alleen de bureaucratie à la Max Weber heeft zich op gezette tijden mogen verheugen in de belangstelling van de literatuur. Dat zoon Voskuil in zijn romans wel zijn vader maar niet diens Partij van de Arbeid heeft vereeuwigd, kan geen toeval zijn.