Onvermoeibare hoefslagen

Niet voor niets heten nachtmerries nach- tmerries: verschrikte paarden wonen er in onze hoofden, als angstbeelden. Over paarden en de ziel. “Sylvia Plath was een groot paardenverschrik- ster.” En haar man, de dichter Ted Hughes, had het nakijken.

Spookin' The Horses' staat op de cd Lipstick Lies & Gasoline van Fred Eaglesmith (Razor & Tie RT 2831-2, ƒ 42, 90). Van Birthday Letters van Ted Hughes (Faber & Faber, ƒ 59,95) verschijnt binnenkort bij Meulenhoff een Nederlandse vertaling.

Plotseling droom ik van paarden. Vroeger dacht ik zelfs niet aan paarden. Paarden waren iets voor een bepaald soort meisjes, of anders cowboys en indianen. Ik reed op brommers en droomde van gitaren. En later werden de paarden, zo groot als ze waren, op veilige afstand gehouden door een leger poezen en een hond. Maar nu zijn ze opeens overal, de paarden, hordes witte en bruine, gevlekte en zwarte paarden. Het eenzame paard uit de begrafenisstoet van John F. Kennedy, het paard dat in de STER-reclame uit zijn leidsels breekt, Pegasus, de Zwarte Hengst, Hi-Ho Silver, A Horse With No Name. Mijn hoofd is veranderd in een manege. Overdag echoën mijn voetstappen hoefslagen en 's nachts word ik wakker van het gewapper van hun manen en hun vurige adem die zij als diepe zuchten tegen mijn wang blazen.

En dat komt allemaal door Sylvia, de Amerikaanse gedoemde dichteres Sylvia Plath, of liever gezegd: door Birthday Letters, de roman in dichtvorm die haar ex-echtgenoot Ted Hughes onlangs, bij de vijfendertigste verjaardag van haar zelfmoord, over zijn leven met Plath het licht heeft doen zien. Of, nog preciezer eigenlijk: door een lied dat te vinden is op de jongste cd van de Canadese singer-songwriter Fred Eaglesmith, dat nu al wekenlang als een spijker in mijn kop zit en zich langzamerhand gevuld heeft met zowel fragmenten uit het boek van Hughes als met verwante ervaringen uit mijn eigen leven.

'Spookin' The Horses' is de titel van dat nummer en het begint direct, zonder instrumentale plichtplegingen, met de stem van Eaglesmith die allebei zijn handen nodig heeft om zijn hart vast te houden, ook al is het tempo dat van een begrafeniswals: You're spookin' the horses (en dan pas wankelen gitaren, bas en drums met loden tred het lied binnen, om verder de gebeurtenissen op eerbiedige afstand te blijven volgen)/ they're wild and they're scared/ With that bright colored make up/ and those clothes that you wear (geen trainingspak of zedig twinset, dat blijkt wel uit de nadruk die hij op 'those' legt)/ and I (stem even omhoog) seen you dancin'/ last night neath the trees/ (stem breekt terug omlaag) you're spooking the horses/ and you're scaring me.

De toon is er een van 'berusting-in-ontzetting'. De zanger zou het natuurlijk het liefst uit willen schreeuwen, 'Nee! Stop!', maar halverwege zijn keel al krimpt zijn schreeuw ineen tot een kreun. Hij kent de tekenen. Iedere man kent ze. De oogverblindende make-up, die kleren, het dansje in het donker, het haar los. En de paarden. Vooral de paarden. Ook al woont een man drie hoog achter in de binnenstad, dan nog: de aan paniek grenzende onrust onder de paarden in je kop. Er gaat iemand gekwetst worden vanavond, en goed ook.

Het zal de nachtelijke gloed van de grote stad geweest zijn, oppert Eaglesmith in het tweede couplet lijdzaam, zoals die weerspiegeld werd in de voorruit van haar auto. Die heeft haar op de gedachte gebracht dat het geluk elders wacht, en niet hier bij hem en de paarden. En ja hoor, daar scheurt ze al met gierende banden het erf af, de weg op, en dan de snelweg. Maar dat laatste - dat van die gierende banden en weg is ze - kan ook verbeelding geweest zijn, denk ik, een echo van het gehinnik van de paarden en het gillen van zijn hart. Iets dat nog niet echt heeft plaatsgevonden maar vanaf nu als constante dreiging in de lucht zal blijven hangen. Wat misschien nog wel veel erger is voor hem, en enger voor de paarden.

Voorpoten

Ook Sylvia Plath was een groot paardenverschrikster. Een jockey op haar kop met niets/ tussen jou en de waterval van het asfalt,/ die gruwelijk harde, snelle stroom,/ Dan de scheepsschroef-verschrikkingen van zijn voorpoten/ en het geratel van de ijzeren schoenen, ver beneden je, zo beschrijft Ted Hughes in het gedicht 'Sam' het moment ergens in december 1955 dat een als ronduit sullig bekend staand paard - waarop zijn echtgenote in Cambridge een ritje aan het maken was - plotseling op hol sloeg. Een moment dat ook op haarzelf zo'n diepe indruk maakte dat zij er, met een tussenpoos van vijf jaar, twee gedichten aan wijdde: eerst 'Whiteness I remember' en, tegen het einde van haar leven, het titelgedicht van haar laatste, met een ijspriem geschreven, meest genadeloze gedichtencyclus Ariel.

In het eerste gedicht weet zij zich nog vast te klampen aan de nek van het in blinde paniek voortgalopperende paard - haar leven, haar poëzie - (Vastberadenheid/ vereenvoudigde mij: een ruiter, rijdend/ op het slappe koord boven het toeval/ boven hoeven/ hamerend op het aambeeld van de aarde), in het tweede gedicht heeft ze al losgelaten, en vliegt als een pijl uit een boog richting het niets (Iets anders/ slingert mij door de lucht/ dijen, haar; schilfers van mijn hielen). In het laatste couplet van het laatste gedicht uit de bundel Ariel, ten slotte, zijn vrouw en paard allebei verdwenen en rest alleen nog het geluid van 'indefatigable hoof-taps', de onvermoeibare hoefslagen als de eeuwige echo van 'words dry and riderless'. En Hughes had het nakijken, zoals ook Fred Eaglesmith elk moment het nakijken kan hebben.

Zoals laatstgenoemde, gewekt door het huiveren van de paarden, machteloos vanachter het raam moest toezien hoe zij buiten, onder de bomen, en waarschijnlijk ook nog eens in het licht van de maan, rondzwierde in de armen van een onzichtbare minnaar, zo was Hughes, zoals hij zelf schrijft in 'The Rabbit Catcher' een vlieg buiten op het vensterraam/ Van mijn eigen huiselijk drama. Beide mannen moeten buigen voor een macht die hun kracht - ook waar die op z'n sterkst is, hun paardenkracht - ver te boven gaat. In zekere zin is het boek van Ted Hughes dan ook een poëtisch tot 190 bladzijden opgerekte coverversie van 'Spookin' The Horses'.

Lokroep

Waar de paarden in het geval van de vrouw uit het lied van Eaglesmith van schrikken is niet zozeer de verandering in haar uiterlijk, de kleren en de kleuren, als wel die in haar innerlijk, en daaraan voorbij nog: de lokroep waar die veranderingen een antwoord op zijn - a walk on the wild side, weg uit het saaie, benauwende bestaan op het platteland, de feestverlichting van de grote stad tegemoet. In het geval van Sylvia Plath komt die roep van nog veel verder weg, gaat het om a walk on the other side, weg uit het leven, haar gehate vader achterna, de dood in, waar haar poëzie haar al veelvuldig de weg naartoe had gewezen. Het verlangen om vertrapt te worden, op het moment dat de hele wereld hoeven en manen gekregen heeft.

Die lokroep is als een roofdier dat om het huis sluipt op zoek naar prooi, en de paarden in hun stal doet steigeren van angst. Een panter, zoals die volgens Hughes, in het gedicht 'Trophies', bezit had genomen van de poëzie en de ziel van Sylvia Plath - en zelfs nu nog, Na veertig jaar/ doet de lucht van dat beest, zoals die van het dorre papier opstijgt/ de haren op de rug van mijn handen recht overeind staan.

Spookin' the horses. Ik ken geen woord, Engels of Nederlands, dat het unheimische aan de manier waarop paarden schrikken beter weergeeft dan spookin'. Om dat duidelijk te maken moet ik misschien even iets uitleggen over paarden. Iets dat misschien wel voor alle dieren geldt, maar vooral voor paarden. Wat wij het derde oog noemen en iets heel bijzonders, iets mystieks, is bij paarden het eerste gezicht en heel gewoon. Of, nog veel eenvoudiger: wat wij 'ziel' noemen is bij paarden 'oog', en daarmee zien zij alles, letterlijk alles, glashelder - ook dingen waarvoor wij nog geen naam hebben of als we 'm wel hebben, durven we die niet uit te spreken. Angstbeelden, geestverschijningen, het hele zootje ongeregeld dat er in onze koppen rondspookt. Niet voor niets heten nachtmerries nachtmerries - waarvan er elke keer dat de paarden verschrikt worden één werkelijkheid wordt.

Volgens Plato wordt de menselijke ziel voortgetrokken door twee paarden, een witte en een zwarte, en is het de kunst om die twee zo veel mogelijk dezelfde kant op te laten lopen. Maar dat kan niet kloppen. Sinds het moment dat ik als kind op een plaatje heb gezien hoe twee mensen samen in een paardenkostuum kropen, weet ik dat het zo'n beetje omgekeerd is. Je hoeft zo'n dier maar in de ogen te kijken om het bevestigd te zien: in elk paard zitten twee mensenzielen opgesloten - en pas op het moment dat de rest van de wereld ook in harmonie is komen die misschien vereend naar buiten.