'Mijn vrouwen hebben nooit last van spijt'; Emmanuèle Bernheim over Vendredi soir

De Franse auteur Emmanuèle Bernheim schrijft in de stijl van een filmscenario. Korte, kale beeldende zinnen. Haar vierde roman, Vendredi soir, ligt op het ogenblik in alle Parijse boekwinkels. “De lezer moest geloven in de plotselinge passie van een vrouw voor een onbekende man”, zegt de schrijfster.

'Vendredi soir', Gallimard, 107 blz. ƒ 33,60. 'Zijn vrouw' (Sa femme), vertaald door Mirjam de Veth, verscheen bij de Arbeiderspers (ƒ 22,50). Volgend jaar brengt deze uitgeverij ook 'Vendredi soir' in een Nederlandse vertaling. “Mijn boeken zijn altijd in één zin te vatten”, zegt Emmanuèle Bernheim (42). “Vendredi soir gaat over de ontmoeting tussen een vrouw en een man die één nacht met elkaar doorbrengen, waarna in ieder geval de vrouw veranderd is. Van de man weet ik dat niet.” De vrouwelijke hoofdpersoon, die de hele dag verhuisdozen heeft volgestouwd omdat ze de volgende dag bij haar vriend intrekt, is per auto onderweg naar een etentje. Het Parijse openbaar vervoer staakt en uit solidariteit nemen alle automobilisten lifters mee. Zo ook de vrouw uit Vendredi soir.

Emmanuèle Bernheim kijkt uit het raam van het Café de Flore naar het drukke verkeer op de Boulevard Saint-Germain: “De sfeer in mijn boek is die van december 1995 toen hier het openbaar vervoer dagenlang stil lag. Het was koud, de geluiden waren een beetje gedempt en iedereen was te voet. Het was allemaal erg onwerkelijk. Mijn vrouwelijke personage bevindt zich bovendien op de scheidslijn van twee perioden in haar leven: ze heeft een periode uit haar verleden afgesloten maar tegelijkertijd is ze nog niet begonnen aan haar nieuwe leven. Ze beleeft een vrij moment 'tussen haakjes', ze kan ongeremd genieten van het heden.”

Het halve etmaal dat Vendredi soir beschrijft (van vrijdagavond tot zaterdagochtend) trekt als een zwart-wit film aan je netvlies voorbij: een verkeersopstopping in nachtelijk Parijs, een zwartleren jas, een donker café, een duister hotel, met als enige kleuraccenten rode stoplichten, een rode jurk, een stuk gele zeep. Bernheims zinnen beginnen bijna steeds vooraan de regel, ze zijn kort en zonder uitweidingen. Je kunt eraan zien dat de schrijfster beroepsmatig veel scenario's leest, voor film en televisie. “Mijn stijl is gevormd door mijn liefde voor de film”, vertelt Bernheim. “Vooral de film noir bewonder ik enorm en ik probeer mijn boeken altijd iets van een policier mee te geven. Ook gaat het bij mij vooral om daden, om concrete zaken. Gevoelens, fantasieën en dromen zijn in films nu eenmaal moeilijk weer te geven. Een cineast kan een gezicht gewoon filmen, terwijl het onmogelijk in woorden te beschrijven is. Alle woorden die daarvoor zouden kunnen dienen zijn al duizend keer gebruikt. De tanden van een geliefde bijvoorbeeld zijn per definitie 'wit en gelijkmatig' of 'wit en een beetje ongelijkmatig'. Zo vind ik het ook onmogelijk landschappen te beschrijven zonder in clichés te vervallen.”

Voor Vendredi soir legde Bernheim dezelfde criteria aan als voor een filmscenario. En met succes, want de producenten staan in de rij om het boek te verfilmen. “Vendredi soir heb ik zonder vooropgezet inhoudelijk plan geschreven. Dat doe ik altijd zo, anders verveel ik me. Het waren oorspronkelijk zo'n 2000 geschreven vellen, terwijl het boek nu 107 pagina's telt. Ik ben erg veeleisend geweest. Alles wat niet absoluut noodzakelijk was, maar alleen decoratief of anekdotisch, heb ik systematisch geschrapt. Juist omdat er niet zoveel gebeurt moet het boek het hebben van de stijl en de juiste, eerlijke toon. Ik moest iets wat per definitie niet logisch is, namelijk verlangen, aannemelijk maken. De lezer moest geloven in de plotselinge passie van een vrouw voor een onbekende man. Dat heb ik geprobeerd te bereiken door een aaneenschakeling van zintuiglijke ervaringen: geuren, blikken, aanrakingen.”

Het zijn terugkerende elementen in Bernheims oeuvre. Er wordt lekker gegeten, goede wijn gedronken en veel blonde tabak gerookt. De geur van parfum en het krakende leer van een jack oefenen op Bernheims vrouwelijke personages een onverbiddelijke aantrekkingskracht uit. Veel gesproken wordt er niet. “Woorden zijn niet nodig”, aldus Bernheim. “In Vendredi soir zijn de personages niet voorbestemd om lang bij elkaar te blijven. In de pure liefde die tussen hen ontstaat speelt het woord geen rol. Dat bleek precies de reden waarom mannen het een goed boek vonden. Zij houden wel van korte, clandestiene, woordeloze relaties.”

Bernheims vrouwelijke personages gedragen zich vaker volgens een doorgaans als mannelijk te boek staand patroon. De vrouwelijke huisarts uit Zijn vrouw bijvoorbeeld, Bernheims vorige boek, begint een relatie met een bouwopzichter, die zegt getrouwd en vader van twee kinderen te zijn. Na enige tijd blijkt dit een leugen: hij is vrijgezel en ze gaat met hem samenwonen. Vervolgens begint ze een relatie met een getrouwde patiënt, vader van twee kinderen.

Bij Bernheim zijn mannen en vrouwen aan elkaar gewaagd. “Mijn vrouwen lijden niet aan schuldgevoelens en ze hebben nooit spijt. Integendeel, ze zouden het zo weer doen.” Het maakt haar boeken vrolijk, eigentijds en bevrijdend tegendraads. Voor Zijn vrouw kreeg de schrijfster in 1993 de prix Médicis. Het boek bereikte in Frankrijk een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren en werd in vierentwintig talen vertaald.

Ondanks haar succes schrijft Emmanuèle Bernheim relatief weinig. Sinds Le cran d'arrêt uit 1985 zijn er drie boeken van haar verschenen, elk van een bescheiden honderd pagina's. “Daarom val ik een beetje buiten het literaire circuit”, aldus Bernheim, “ik hoor ook niet tot een bepaalde groep schrijvers. Pas op mijn achtentwintigste begon ik te schrijven, om een ongelukkige liefde te verwerken. Sindsdien zijn het eigenlijk steeds mannen geweest die mij inspireerden. Na het succes van mijn eerste boek, wilde mijn uitgever dat ik snel een tweede schreef. Ik zat middenin een depressie en voelde geen enkele innerlijke noodzaak tot schrijven. Daarom is dat boek (Un couple, 1987) zo koud, zo wreed. Sindsdien laat ik me door niets of niemand meer pushen. Ik wacht tot de onweerstaanbare aandrang tot schrijven zich weer manifesteert. En als dat niet gebeurt en ik nooit meer schrijf, vind ik dat ook geen ramp.”