Leesplezier

Het boek dat mij het afgelopen jaar het meeste leesplezier heeft bezorgd is De Grot van Tim Krabbé. Het is spannend, goed geschreven en bezit een plot die op de laatste pagina's plotseling helemaal helder wordt, zoals een landschap dat bij het dalen van het vliegtuig opdoemt uit de wolken. De Grot staat niet op de shortlist van de Libris-prijs. Het hoort volgens de jury dus niet tot de 25 beste boeken die in 1997 in de Nederlandse taal zijn geschreven.

Daar keek ik van op, temeer omdat ik flink wat boeken heb gelezen die het wel tot de shortlist hebben gebracht. Veel bewijst dat niet, misschien heb ik gewoon geen verstand van literatuur. Maar aan de andere kant zou het mij niet verbazen als het met De Grot dezelfde kant uitgaat als met de andere boeken van Krabbé. Ze worden vertaald als roman of verschijnen als novelle in The New Yorker. Tevens worden ze verfilmd, eerst in Europa en dan in Hollywood. Tegelijkertijd krijgen ze in Nederland het stempel van 'te geringe literaire kwaliteit'. Literatuur in Nederland mag geen vaart hebben. Zij moet eerder een beetje tobberig zijn. Literatuur in Nederland is niet iets componeren en construeren, het is meer getuigenis afleggen van een diep doorvoeld menselijk probleem.

Vorige week zijn twee medewerkers van de Volkskrant elkaar in de haren gevlogen over het literatuuronderwijs op de middelbare scholen. Frank van Dixhoorn neemt daarbij het standpunt in dat het literatuuronderwijs moet uitgaan van de interesses van de leerlingen, terwijl Aleid Truijens de oerhollandse positie inneemt dat “literatuuronderwijs niet ten onder mag gaan in leesplezier”.

Volgens Aleid Truijens is literatuur meer dan alleen een verzameling teksten en laat zij bijvoorbeeld zien “hoe een samenleving van boeren en edelen veranderde in een democratisch geindustrialiseerde natie die de eigen problemen met zich meebracht”. Als je zoiets leest, ben je onmiddellijk geneigd Dixhoorn gelijk te geven.

Ik geloof ook niet dat de literatuur erg veel kan verhelderen als het gaat om boeren en edelen, die terechtkomen in een geïndustrialiseerde natie met haar eigen problemen. Dat is meer iets voor de sociologie of de economie. Het geniale van de literatuur is nu juist dat ze heel goed te lezen is buiten de hele sociale context om. Iemand die zich nog nooit heeft verdiept in de cultuur van de eskimo's, kan zeer genieten van een roman over een eskimo die de winter doorbrengt in een iglo. Er is, als die roman geschreven is en een mooie plot bezit, zelfs een kans dat de lezer zich identificeert met de hoofdpersoon en dat hij, ondanks zijn gebrekkige kennis van de visserij der eskimo's denkt: “Ja, die eskimo, daar in die iglo, dat ben ik”. Hoeveel theaterbezoekers hebben niet van Shakespeare genoten, zonder dat zij specifieke kennis bezaten van de Engelse samenleving in de zestiende eeuw?

Volgens Aleid Truijens moeten leerlingen op school eerst de vervelende dingen leren. “Leuke boeken lezen, naar de film of voorstellingen gaan en daarover praten, dat kan je je hele leven nog”, schrijft ze. Arme leerlingen, die op school moeten horen dat de literatuur leuk is, maar dat zij daar pas later van mogen genieten. In feite is het natuurlijk andersom.

Aleid Truijens vergelijkt de kennis van de natuurkunde met die van de literatuur, maar die vergelijking gaat mank omdat de steeds toenemende kennis van allerlei literaire contexten niet automatisch leidt tot een beter oordeel over de kwaliteit van een roman. Literatuur is misschien nog het best te vergelijken met schaken. Het schaakspel heeft een alfa- en een bètakant. In de eerste plaats moet je de spelregels kennen en enig begrip ontwikkelen in de algemene principes van tactiek en strategie. Daarnaast is er een sociale context met een rijke geschiedenis, vastgelegd in bibliotheken vol schaakboeken. Maar hoe leer je een kind schaken? Door het eerst te leren dat edelen het speelden in een niet-geurbaniseerder samenleving? Nee, natuurlijk niet. Als een didacticus zou zeggen dat het schaakonderwijs niet in speelplezier ten onder mag gaan, zou hij voor gek worden verklaard.