Karel de Grote

Het interessante artikel van Ronald van Kesteren in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad (20-2-98) geeft aan dat er vele mythen bestaan over Karel de Grote. Zo is ook het openen van zijn graf omgeven met veel bombarie. De keizers Otto en Barbarossa hebben meer dan 200 jaar na dato door middel van 'speurwerk' en 'visioenen' zijn graf teruggevonden met een Karel de Grote die nog op zijn vergulde troon zat. De werkelijkheid is dat deze verhaaltjes in het leven zijn geroepen om de toeristenindustrie wat op te peppen.

In dit verband verdient het aanbeveling historici als Illich en Delahaye te raadplegen. Heribert Illich vermeldt in zijn Das Erfundene Mittelalter (1997) dat er in Aken noch historisch noch archeologisch iets is te vinden dat erop zou duiden dat Karel de Grote daar zijn laatste rustplaats gevonden zou hebben. Alles is van veel latere datum. Illich gaat in zijn intrigerend boek zelfs zo ver dat Karel de Grote een fictie is. Hij noemt hem zelfs Karl der Fiktive.

In de meest recente postume publicatie van Albert Delahaye (1997) over de Peutinger-kaart, wordt nogmaals het bewijs geleverd dat Noviomagus niet Nijmegen was maar de Franse plaats Noyon. Het in 1962 in Nijmegen geplaatste ruiterstandbeeld van Karel de Grote heeft volop bijgedragen aan de mythevorming. Ook in deze keizerstad (n.l. van keizer Barbarossa!) is nooit iets van Karl der Fiktive teruggevonden. Welke hedendaagse Nederlandse historicus durft de aloude mythe eens en voorgoed te begraven?

Naschrift Ronald van Kesteren:

Het is amusant de namen van Albert Delahaye en Heribert Illig broederlijk naast elkaar te zien. Wat de eerste aangaat, sedert de jaren vijftig hebben talloze historici en archeologen - onder wie Post, Leupen, Thissen, Bogaers en Van Es - de opvattingen van Delahaye over de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van ons land aangevochten. Dat heeft zijn medestanders er niet van weerhouden nog altijd dezelfde posities te betrekken. Illig (en niet Illich) heeft twee boeken geschreven waarin hij het bestaan van de zevende, achtste en negende eeuw ontkent, zodat we thans bijna in het jaar 1700 zouden staan. De Duitse historicus Rudolf Schiefer heeft onlangs in het tijdschrift Geschichte in Wissenschaft und Unterricht korte metten met Illig gemaakt. Het is merkwaardig dat Jochems Illig aanhaalt. Want als er geen Karolingische tijd is geweest, dan was er ook geen Noyon. Het is al met al wonderbaarlijk dat ditmaal Delahaye door een medestander in het ongelijk wordt gesteld.