Het stormjaar 1848; Uit verveling de barricade op

Deze week is het honderdvijftig jaar geleden dat het spook daadwerkelijk door Europa leek te gaan rondwaren. Op 25 februari 1848 werd in Parijs de republiek uitgeroepen. Vandaag anderhalve eeuw geleden kwamen de burgers en arbeiders in Brussel in opstand. Duitsland en het Habsburgse rijk zouden daarna aan de beurt komen. Zelfs Zwitserland en Nederland bleven niet geheel buiten schot. Een jaar later was het spook getemd. De kunstenaars droegen overal hun steentje bij: aan beide kanten van de barricade.

'Een verschrikkelijke beweging schrijdt door de wereld: het is de storm van de Europese revolutie; iedereen neemt eraan deel, en wie haar niet bevordert door vooruit te streven, versterkt haar door tegendruk'. Anders dan men zou kunnen menen zijn deze woorden niet afkomstig van Karl Marx of Friedrich Engels; ze zijn Richard Wagner uit de pen gevloeid en staan tussen de losse notities van zijn (nooit voltooide) essay Das Künstlertum der Zukunft uit 1849. Merkwaardige woorden zijn het wel, want toen Wagner ze opschreef was de 'storm' van de revolutie overal in Europa juist weer gaan liggen.

In Frankrijk regeerde Louis-Napoléon Bonaparte, die in december 1848 met overweldigende meerderheid tot president van de republiek was gekozen. In Duitsland waren de resten van het Nationale Parlement door het Pruisische leger uiteengejaagd. In Wenen had keizer Franz Joseph de troon bestegen, om deze de komende achtenzestig jaar niet meer te verlaten. In Italië had maarschalk Radetzky voor hem in de Habsburgse gebieden de orde hersteld. In Hongarije was dit karwei geklaard met assistentie van het Russische leger - een laat gevolg van de kreet ('Mijne heren, zadel uw paarden; de republiek is uitgeroepen in Frankrijk!') waarmee de tsaar anderhalf jaar eerder een bal in het Winterpaleis onderbrak, nadat het nieuws van de februari-revolutie Sint-Petersburg had bereikt.

Met uitzondering van Nederland, waar de liberale grondwet zonder bloedvergieten tot stand was gekomen, regeerde overal in Europa de Reactie, zij het niet overal in dezelfde gedaante als vóór 1848. Waar had Wagner het nog over? Zijn dreigende frasen lijken op het eerste gezicht niet veel meer dan de wensdroom van een revolutionair, die weigert zijn echec onder ogen te zien. Van die 'verschrikkelijke beweging' was niet veel meer te merken, behalve wellicht in Wagners muziek. In dat geval getuigen zijn woorden vooral van megalomanie. Maar tegelijk suggereren ze hoezeer de componist, ook na de mislukte opstand in Dresden die hem als balling in Zwitserland deed belanden, van plan was de revolutionaire geest van 1848 trouw te blijven.

De revolutie van 1848 wordt vaak voorgesteld als een romantische revolutie, waarin de grenzen tussen kunst en politiek zich - net als bij Wagner - niet altijd even scherp laten trekken. En dat is geen wonder, gezien het grote aantal intellectuelen, schrijvers en dichters dat eraan heeft deelgenomen.

Komedianten

In het Nationale Parlement te Frankfurt delibereerden dichters en schrijvers als Arndt, Uhland, Laube, Grün en Jakob Grimm over de grondwet en de Duitse eenheid. In Hongarije voerde de jonge dichter Sandor Petöfi het meest radicale deel van zijn landgenoten ten strijde. Onder leiding van de dichter Georg Herwegh trok in de herfst van 1848 een klein vrijwilligersleger uit Parijs naar Baden om daar de opstandelingen bij te staan. In Italië sneuvelde de dichter Goffredo Mameli in 1849 bij de verdediging van Rome en leverde de schrijver Guiseppe Mazzini de nationale revolutie haar ideologische munitie, terwijl de verbannen Poolse dichter Mickiewicz er in zijn eentje de lijdende mensheid vertegenwoordigde.

Maar de meest prominente rol heeft een dichter gespeeld in Frankrijk, waar Alphonse de Lamartine de belangrijkste man werd van de Voorlopige Regering die op 24 februari de plaats innam van de verdreven koning Louis-Philippe.

Samen met onder anderen Chateaubriand, Victor Hugo en Alfred de Vigny was Lamartine de belichaming van de Franse romantiek. Vrijwel van meet af aan hoorde ook de politiek daarbij. Zijn dichterschap beschouwde hij als een heilige missie in dienst van de natie en van de mensheid. Als een profetische ziener meende hij zijn tijdgenoten de weg naar de toekomst te kunnen wijzen: aanvankelijk door de Restauratie aan te prijzen, maar na de revolutie van 1830 (toen de Bourbons opnieuw van de troon werden gestoten) omarmde Lamartine het liberalisme. In 1833 gekozen in de Chambre des Députés, schaarde hij zich tien jaar later aan de zijde van de linkse oppositie, nadat hij zich in een geruchtmakende toespraak had afgevraagd of Frankrijk zich onder het regime van de burger-koning niet stierlijk 'verveelde'.

De remedie tegen de verveling bestond uit een herinnering aan de Franse Revolutie. In 1843 werd Lamartine immers niet alleen een actief tegenstander van de Juli-monarchie, hij begon ook aan zijn Histoire des Girondins, die in 1847 in zes delen werd gepubliceerd. Het succesvolle boek bleek in 1848 een belangrijke inspiratiebron, toen de nieuwe revolutionairen massaal hun best deden om zoveel mogelijk op de oude te lijken. Juist deze imitatie van 1789 heeft menigeen ertoe gebracht de revolutie van 1848 niet helemaal serieus te nemen. 'Het geheel kwam mij voor als een slechte tragedie gespeeld door komedianten uit de provincie', zou Alexis de Tocqueville achteraf schrijven in zijn scherpzinnige en vaak ook vileine Souvenirs.

Tocquevilles wantrouwen gold met name het literaire karakter van de revolutie, dat hij onverenigbaar achtte met de maar al te reële ernst van de zaak. Al even wantrouwend bejegende hij Lamartine, over wie in zijn herinneringen te lezen staat: 'Ik heb een massa lieden gezien die het land in beweging brachten voor hun eigen grandeur: dat is nu eenmaal de gangbare perversie; maar hij is, geloof ik, de enige die mij altijd bereid heeft geleken om de wereld op z'n kop te zetten voor zijn plezier'.

Een fair oordeel kan het moeilijk worden genoemd, want Lamartine bewees dat hij wel degelijk over verantwoordelijkheidsbesef beschikte. Als minister van Buitenlandse Zaken wist hij de Europese monarchieën gerust te stellen en zo de vrede te bewaren. Als meest gezaghebbend lid van de Voorlopige Regering spande hij zich in om de orde te herstellen, de nationale eenheid te bevorderen en bloedige excessen te voorkomen. In zijn geschiedschrijving van de Franse Revolutie had hij zich niet toevallig op de Girondijnen gestort - een waarschuwing tegen de gevaren van de Terreur, waarvan de Girondijnen in 1793 het slachtoffer waren geworden.

In 1848 kwam het gevaar vooral van het opstandige Parijse volk. Opgejut door extremisten als Blanqui (volgens Tocqueville iemand die eruit zag 'alsof hij zijn leven in een riool had doorgebracht en er zo was uitgekropen'), wilde het de bourgeoisie ter zijde schuiven, het eigendom afschaffen en een Europese bevrijdingsoorlog ontketenen. Al deze verlangens werden gesymboliseerd door de eis de nationale driekleur te vervangen door de rode vlag, een eis die al op 25 februari werd gesteld, toen de kruitdamp van de barricaden nog amper was vervlogen.

Gewapend met sabels, geweren en pistolen belaagde de massa het Hôtel de Ville waar de Voorlopige Regering beraadslaagde. Keer op keer moest Lamartine naar buiten komen om, staande op een rieten stoeltje, de verhitte gemoederen te kalmeren. Het woord bleek een effectief wapen. Want telkens lukte het hem de rode vlag als een 'bloedvlag' in diskrediet te brengen en de tricolore (die ooit uit naam van 'de glorie en de vrijheid van het vaderland' de wereld was rond gegaan) te behouden. Waarna volk en dichter elkaar snikkend in de armen vielen.

'Nooit zag men beter dan op die momenten hoeveel verstand, elektriciteit, generositeit, geestdrift en liefde er schuilt in dat volk, dat slechts in aanraking hoeft te komen met het menselijk woord of het raakt, zelfs in opstand, bezield door de meest sublieme gevoelens van menselijkheid', constateert Lamartine tevreden in zijn Histoire de la révolution de 1848,waarin het tafereel uitvoerig en met karakteristiek gevoel voor pathos en melodrama wordt beschreven.

In Frankrijk was 1848 allereerst een revolutie van het volk, dat de romantische historicus Jules Michelet al in Le peuple (1846) had aangewezen als de enige hoop van het vaderland. Alom werd dit volk als een 'sublieme' en 'mystieke' kracht bejubeld. Dat 'sociale' schrijvers als George Sand, Eugène Sue en Alexandre Dumas hieraan meededen, hoeft niet te verbazen. Maar ook Baudelaire, voordien toch een hooghartig pleitbezorger van l'art pour l'art, werd door de volkse koorts besmet. In zijn krant Le salut public zong hij de lof van de 'schoonheid van het volk': 'Een vrij man, wie dan ook, is mooier dan marmer, en er is geen dwerg die niet evenveel waard is als een reus, wanneer hij het hoofd hoog heft en in het hart zijn burgerrechten voelt'.

Literatuur en politiek leken opeens weer een eenheid te zijn geworden. 'Samen maken we het meest sublieme van alle gedichten', moet Lamartine hebben uitgeroepen. Zelfs Théophile Gautier, die tijdens de Juli-monarchie steeds de 'nutteloosheid' van de kunst had verdedigd, droomde er nu van de massa's 'le sentiment de l'art' bij te brengen. Het bewijst hoezeer het geloof in de 'ivoren toren' (waarnaar zowel Gautier als Baudelaire spoedig zouden terugkeren) de keerzijde vormt van het romantische geloof in een dichterlijke missie. Er hoefde zich maar even een mogelijkheid voor te doen, of ook de adepten van l'art pour l'art zagen zichzelf opnieuw als een artistieke én politieke voorhoede.

Toneelkijker

Soortgelijke idealen waren aan het eind van de achttiende eeuw verkondigd door Duitse romantici als Novalis en Friedrich Schlegel, zonder dat het toen tot veel praktische consequenties was gekomen. Na een korte flirt met de Franse Revolutie, hadden de meeste romantici na de eeuwwisseling voor de Reactie gekozen, iets wat hun in de jaren dertig door Heinrich Heine en de overige schrijvers van het Junge Deutschland fel werd verweten. Heine en zijn geestverwanten namen de draad weer op en pleitten voor een 'moderne' literatuur die ook een navenante politieke betekenis moest hebben. 'Die Fürsten träumen, lasst die Dichter handeln', dichtte Georg Herwegh in 1842.

Heine zonk in 1848, door een slopende ziekte getroffen, weg in zijn 'matrassengraf' en bezag al het tumult met de nodige scepsis. Voor andere dichters als Herwegh en Ferdinand Freiligrath was het revolutie-jaar daarentegen de gelegenheid om eindelijk de daad bij het woord te voegen.

Ook zij bezongen het volk of het proletariaat, maar anders dan in Frankrijk was het in Duitsland de bourgeoisie die van meet af aan de revolutie domineerde. Socialistische geluiden, zoals die in Parijs temidden van de massa weerklonken, kon men in Duitsland alleen in de marge vernemen, bij Karl Marx bijvoorbeeld die in het Rijnland zijn in 1842 verboden Rheinische Zeitung opnieuw mocht uitgeven.

Aan een sociale revolutie hadden de afgevaardigden in de Frankfurter Pauluskerk (waar het Nationale Parlement bijeenkwam) geen behoefte. Wanneer het volk, door nood of ergernis gedreven, in opstand kwam, schrokken zij er niet voor terug militaire steun te vragen bij de vorsten die zij met hun wetgeving juist aan banden hoopten te leggen. Menige burger zal, bevreesd voor zijn bezittingen, hebben gereageerd als de filosoof Arthur Schopenhauer, die tijdens relletjes in Frankfurt graag zijn toneelkijker uitleende aan een Oostenrijks officier, opdat deze het 'heilige canaille' beter onder vuur kon nemen.

Bij alle verheerlijking van het 'sublieme' volk ontbrak overigens ook in Frankrijk de angst voor het roerige gepeupel niet. Vooral in de provincie kon men weinig waardering opbrengen voor het proletarische extremisme in Parijs. Dat was al tot uiting gekomen bij de verkiezingen in april, toen het algemeen kiesrecht een zeer gematigd republikeinse Assemblée opleverde. En het bleek vooral tijdens de beruchte juni-dagen van 1848, toen in sommige Parijse volksbuurten een opstand uitbrak als reactie op de sluiting van de - ter ondersteuning van de werklozen opgerichte - Ateliers Nationaux. Vanuit het hele land stroomden de vrijwilligers naar Parijs om de weerspannige arbeiders een lesje te leren.

De juni-dagen (volgens Victor Hugo 'een revolte van het volk tegen zichzelf') betekenden het einde van Lamartines populariteit als redder des vaderlands. Het was hem niet gelukt om zowel de eenheid als de orde te bewaren en dat werd hem bij de presidentsverkiezingen in december genadeloos ingepeperd: tegenover de bijna vijf miljoen stemmen voor Louis-Napoléon kreeg hij er niet meer dan een schamele achttien duizend.

Van de schrijvers die voordien de deugden van het volk hadden geroemd, zou alleen Baudelaire de zijde van de opstandelingen hebben gekozen; voor de meeste anderen, inclusief George Sand, bezegelden de in bloed gesmoorde juni-dagen het failliet van de revolutionaire droom. De romantiek was voorbij, zoals Flaubert op exemplarische wijze zou laten zien in L'Éducation sentimentale (1869), de meest vernietigende roman die over de revolutie van 1848 is geschreven.

Ook over de overwinnaars van de juni-dagen maakt Flaubert zich geen illusies. Van de veelbezongen gelijkheid restte nog slechts de 'gelijkheid van wilde dieren, één zelfde niveau van bloedige wandaden; want het fanatisme van de bezittende klasse woog op tegen de razernij van de misdeelden, de aristocratie was net zo woedend als het uitvaagsel, en de slaapmuts was even weerzinwekkend als de rode muts'.

Tegenover de sociale romantiek van 1848 koos Flaubert voor het realisme van de kunst, de enige realiteit die hij nog de moeite waard vond. In de praktijk bleek die moeite niet gering. Om zijn roman te kunnen schrijven nam hij stapels geschriften en pamfletten door, afkomstig van socialisten en utopisten die destijds het recept voor een betere wereld meenden te kennen. Wat hem opviel, zo schrijft hij in een brief, was vooral het 'middeleeuwse' karakter van al die heilsverwachtingen.

Van alle kanten waaide hem het 'katholicisme' tegemoet, en verontwaardigd verzucht hij: 'Niets is zo uitputtend als de menselijke domheid blootleggen'.

Gemengde gevoelens

Men hoeft het niet met Flaubert eens te zijn dat katholicisme en domheid op hetzelfde neerkomen, om zijn constatering te beamen. In de ideologische bevlogenheid van 1848 schuilt inderdaad een onmiskenbaar religieus element. Het christendom is nooit ver weg bij het progressieve humanitarisme van de achtenveertigers.

Michelet pleit voor een 'morele en religieuze transformatie' die in een 'revolutie van het hart' haar beslag zou krijgen. Lamartine noemt in de laatste zin van zijn Histoire de la révolution de 1848 de 'moraliteit van het volk' en het 'rijk Gods' in één adem. Wagner laat zijn meest uitzinnige geschrift uit 1849 (Die Revolution) uitmonden in de belofte van een 'nieuw evangelie van het geluk'.

Dat evangelie zou er alleen niet vanzelf komen. 'Vernietigen wil ik de bestaande orde der dingen', heet het in dezelfde tekst, die de invloed verraadt van Wagners vriend Bakoenin met wie hij in Dresden op de barricaden stond. Diens geloof in vernieuwing door destructie werd ook het zijne, al zou de destructie bij Wagner voornamelijk op een symbolisch niveau plaatsvinden: in zijn muziekdrama's en in het bijzonder in zijn tetralogie Der Ring des Nibelungen, waarvoor hij in 1848 een eerste versie (onder de titel Siegfried's Tod) van het laatste deel schreef.

In een lang en wonderlijk essay (Die Wibelungen) uit de zomer van dat jaar zette hij bovendien uiteen welke verrassende boodschap hij in de Nibelungen-sage had ontdekt: de legendarische schat van de Nibelungen bleek in de geschiedenis de gedaante te hebben aangenomen van het eigendom. En alleen wanneer dát vernietigd werd, aldus Wagner, kon de mensheid haar verlossing tegemoet zien. Vandaar dat hij ook na zijn vlucht uit Dresden in de revolutionaire 'storm' bleef geloven. Achter een sluier van Germaanse mythologie wordt in Der Ring des Nibelungen de revolutie van 1848 nog eens dunnetjes overgedaan.

Met Flauberts Education sentimentale behoort Wagners tetralogie tot de weinige kunstwerken die zijn voortgekomen uit de revolutie van 1848, waarvoor het publiek 150 jaar later nog altijd belangstelling toont. Dat beide zulke tegenstrijdige kanten van die revolutie vertegenwoordigen (de romantische droom versus de esthetische ontgoocheling) is daarbij alleen maar rechtvaardig, want revoluties die géén gemengde gevoelens oproepen moeten nog worden uitgevonden.