Het Haïti van trommels en nacht

Alejo Carpentier: Het koninkrijk van deze wereld. Roman over Haïti. Uit het Spaans vertaald door Arthur H. Seelemann. In de Knipscheer, 158 blz. ƒ 39,50

Er zijn, grofweg, vijf Cubaanse schrijvers wier werk te vinden is op de openlucht-boekenmarkt in Havana, en Alejo Carpentier is er een van. Dat betekent dat hij, net als die weinige anderen, het regime trouw is gebleven, tot aan zijn dood in 1980. Carpentier stierf in Parijs, waar hij Castro's bewind diplomatiek vertegenwoordigde. De schrijvers wier werk niet op Havana's boekenmarkten te vinden is, verachtten hem erom.

Zijn nu, na een halve eeuw, voor het eerst in vertaling uitgebrachte Het koninkrijk van deze wereld is korter, helderder en heeft het voordeel van een interessant onderwerp. De geschiedenis van Haïti aan het begin van de vorige eeuw is nu eenmaal fascinerend en Carpentier slaagt erin in weinig pagina's, vanuit breed en smal perspectief die geschiedenis te beschrijven, met veel aandacht voor het kleurrijke, het sappige, het afschuwelijke.

Meestal is het de slaaf Ti Noel die we volgen in deze roman, tijdens de koloniale tijd, de opstand, en vervolgens de zelfgekozen ballingschap van zijn Franse meester, Monsieur Lenormand de Mézy, op Cuba. Daar verliest de Fransman één kaartspelletje te veel en verandert Ti Noel van eigenaar. Wanneer hij later als vrij man terugkeert naar Haïti treft hij daar een land aan onder de tirannie van de eerste zwarte koning Henri Christophe. Het hele volk is gemobiliseerd voor de bouw van de Citadel die de grootsheid en verhevenheid van de nieuwe heerser moet symboliseren; de gruwelen zijn alleen nog maar heviger geworden en ook deze Christophe vindt zijn einde, door Carpentier op groteske wijze beschreven.

Het werkt in Carpentiers nadeel dat de Amerikaanse auteur Madison Smartt Bell dit boek een paar jaar geleden in de schaduw heeft gedrongen met zijn schitterende All Soul's Rising, dat dezelfde episode behandelt. Carpentiers boek heeft, hoewel het veel korter is, een veel breder uitwaaierend perspectief. Dat leidt tot overbodige excursies naar Italië, waarheen het restant van de koninklijke familie is uitgeweken. Maar Carpentiers perspectief vanuit zijn eigen buur-eiland Cuba is weer wél interessant, in de beschrijving van het Santiago waarheen de Franse heersers mét hun slaven de wijk namen. De passepieds en de contradanses deden blijvend hun intrede in de Oostcubaanse cultuur en Carpentier wijdt er een van zijn beste hoofdstukken aan. Smartt Bells boek is realistischer, sociologischer, gruwelijker en uiteindelijk ook beter verteld. Maar Carpentier heeft meer oog voor het surreële, het duistere, voor het Haïti van de trommels en de nacht, het Haïti dat niet door stervelingen wordt beheerst maar door Baron Samedi en Papa Legba. Mede hierom blijft het boek na een halve eeuw overeind als een waardevolle aanvulling op de literatuur over Haïti en een van de meest bizarre episodes van de Caribische geschiedenis.