Het debat over de kruisdood van Jezus; Reddingsoperaties in de kerk

C.J. den Heyer: Verzoening. Bijbelse notities bij een omstreden thema. Kok, 144 blz. ƒ 27,50

H. Baarlink: Het evangelie van de verzoening. Kok, 142 blz. ƒ 27,50

Alister E. McGrath: An Introduction to Christianity. Blackwell, 444 blz. ƒ 60,95

Was Maarten Luther een christelijke neger? Is Pasen een feest om eieren te verzamelen? Een aantal Leidse studenten denkt van wel, zo bleek deze maand uit een onderzoek naar culturele geletterdheid. De steekproef onder studenten was een daverend klokkenspel, met talloze onvindbare klepels.

Het maakte eens te meer duidelijk dat Nederland in een post-christelijke cultuurfase verkeert. Behalve de historische mist, waarin een deel van de toekomstige elite ronddwaalt, wijst ook de fascinatie van schrijvers en intellectuelen voor het christelijk gedachtengoed erop dat de leer van Jezus van Nazareth allang geen vanzelfsprekend cultuurbezit meer is. Fascinatie en onwetendheid zijn in dat opzicht twee kanten van dezelfde medaille: een toenemende afstand tot het christendom.

Die ontkerstening wil natuurlijk niet zeggen dat Nederlanders niet gelovig meer zijn. Meer dan de helft is nog lid van een christelijke denominatie, hoewel vaak geen kerkganger, en bijna iedereen gelooft wel 'dat er iets moet zijn'. Het verval van het ouderwetse, tweemaal zondags belijdende christendom gaat gepaard met de opkomst van een vager, emotioneel type religiositeit. Televisie-dominees spinnen daar garen bij - door Jezus te presenteren als toffe jongerenwerker - maar bezien vanuit de steile orthodoxie van bijvoorbeeld de Gereformeerde Bond is dat weinig meer dan een doekje voor het bloeden, of zelfs de voorbode van een nieuw heidendom.

Voor orthodoxe christenen die hun boodschap willen blijven verdedigen tegen de stormloop van de moderne tijd staan van oudsher twee wegen open: pal staan of meebuigen. Het laatste doet de Nederlandse theoloog H.M. Kuitert, die in Het algemeen betwijfeld christelijk geloof zoekt naar een herformulering van christelijke geloofsartikelen die voor eigentijdse gelovigen acceptabel is. Eminent voorbeeld van het eerste is de neo-dogmatiek van Karl Barth, die in zijn Kirchliche Dogmatik (1932-1967) elke poging afwees om het Evangelie 'van onderop', uit de menselijke ervaring, te begrijpen. Het heil komt van boven, en nergens anders vandaan.

Beide strategieën hebben risico's. Wie te pal blijft staan, breekt zijn rug. De resultaten van honderdvijftig jaar historisch onderzoek naar de Bijbel zijn moeilijk nog te ontkennen, hoe onwelgevallig ze ook zijn. Tekstkritiek, nieuwe bronnen en het onderzoek naar de 'historische Jezus' hebben het traditionele beeld van het vroege christendom aan het wankelen gebracht. Uit zulk onderzoek komt Jezus naar voren als een devote jood, die geenszins de bedoeling had een nieuw geloof of een 'wereldgodsdienst' te stichten. Hij was een charismatisch genezer en een eschatologische profeet, die Israel de spoedige komst van het Koninkrijk Gods voorspelde.

Maar wie teveel met deze historische inzichten meebuigt, verliest zijn theologische evenwicht. Dat laatste gevaar proberen veel theologen te ontwijken door de resultaten van historisch onderzoek wel te aanvaarden, maar er meteen bij te zeggen dat het daar eigenlijk niet om gaat. Ze zoeken een 'stormvrij gebied' voor het geloof, zoals de Duitse theoloog Martin Kähler met zijn credo 'de werkelijke Jezus is de gepredikte Jezus'. Het gaat er niet om wat er in Judea 'echt gebeurd is', maar om wat er plaatsgrijpt in de harten van de gelovigen. Daar schuilt de echte Jezus. Een vergelijkbare reddingsoperatie ondernam Rudolf Bultmann met hulp van het existentialisme: door het evangelie te 'demythologiseren' wilde hij doordringen naar de 'existentiële' waarheden die in de verhalen over Jezus verborgen liggen.

De achilleshiel voor zulke ondernemingen is dat het christendom het gevaar loopt uitwisselbaar te worden met andere godsdiensten, een toevallige verpakking van universele waarheden. Wie Jezus teveel 'demythologiseert', houdt een handvol levenswijsheid over die misschien even goed uit het jodendom, of uit andere godsdiensten kan worden geput. Maar onder gelovigen en in de prediking blijft de identificatie met Jezus Christus nu eenmaal cruciaal.

Het wanhopige en pijnlijke debat dat onder gereformeerden woedt over het boekje Verzoening van C.J. den Heyer, is een illustratie van het christelijke dilemma. Den Heyer, hoogleraar Nieuwe Testament in Kampen, is ontnuchterd door het historische onderzoek naar Jezus, waarover hij zelf uitvoerig publiceerde. 'De kloof is diep en schijnt onoverbrugbaar', schrijft hij. Zijn boek is dan ook geboren uit 'verlegenheid'. De conclusie luidt dat in het Nieuwe Testament nauwelijks aanwijzingen zijn te vinden voor het centrale dogma van de 'verzoening', de overtuiging dat Jezus, Zoon van God, op aarde is gekomen om te sterven voor onze zonden. Den Heyer spreekt van een 'wirwar' en 'kakofonie' in het Nieuwe Testament. Hij waarschuwt dat zijn boek sommige lezers zal achterlaten in 'verwarring' en 'teleurstelling'.

Houdbaarheid

Net als Kuitert, betwijfelt Den Heyer dus de houdbaarheid van de traditionele christelijke dogma's. Hij erkent dat het onmogelijk is 'in korte tijd afscheid te nemen van eeuwenoude geloofsvoorstellingen', maar bepleit begrip voor gelovigen die zich er niet meer in kunnen vinden. Ook al omdat dit volgens hem de dialoog met andere godsdiensten ten goede zal komen. En dan komt de ontboezeming die voor veel gereformeerden de punch line zal zijn: Den Heyer is zelf een twijfelende gelovige. 'Ik ken de oude en vertrouwde geloofswaarheden, maar ze kunnen mij niet meer ontroeren of inspireren.'

Den Heyer besluit Verzoening met de aanbeveling, voor wie 'de verwarrende veelkleurigheid van God wil leren ontdekken', eerst maar weer de verhalen in het Oude Testament te lezen. Wat Jezus betreft: 'hij leefde op een onverwachte en inspirerende wijze dichtbij God.' Hij was 'een mens naar Gods hart', een formulering die doet denken aan Friedrich Schleiermachers verwijzing naar het eminente 'Gods-bewustzijn' van de mens Jezus.

Verzoening is een openhartig boek, geschreven in een heldere stijl. Den Heyer heeft het niet voor zijn plezier geschreven; de aarzeling en schroom van de auteur liggen vlak onder de oppervlakte. Direct na publicatie van zijn boek stak in gereformeerde kringen een storm op. Het Confessioneel Gereformeerd Beraad drong aan op Den Heyers ontslag. De hoogleraar blijft nu af en toe een zondagmorgen thuis. Hij troost zich met muziek en het naspelen van mooie schaakpartijen, meldde het dagblad Trouw.

Toch wringt hier van alles. Behalve openhartig, maakt Den Heyers boek ook een wat naïeve indruk. Na zoveel historisch onderzoek, kan hij er toch nauwelijks echt verbaasd over zijn dat de kerkelijke dogmatiek niet naadloos valt af te leiden uit de evangelies. Ook de protestantse kerk heeft inmiddels twee eeuwen de tijd gehad om te leren leven met dat ontnuchterende inzicht. De Duitse theologie is rijk aan complexe, soms al te subtiele, speculaties over de verhouding tussen de 'historische' en de 'christologische' Jezus. Het lijkt er echter op dat ook die Den Heyer niet meer bevredigen - en dat hij het simpelweg allemaal niet meer gelooft.

Massieve verdediging

Met Het evangelie van de verzoening is Den Heyers leermeester uit Kampen, de emeritus hoogleraar H. Baarlink, nu voor de kerk in de bres gesprongen. Zijn repliek aan Den Heyer is een erudiete en massieve verdediging van de klassieke verzoeningsleer, gestut met bijbelcitaten en met kritiek op het historische bijbel-onderzoek dat Den Heyer zo heeft ontnuchterd. Hij wantrouwt de methode, omdat ze a priori afbreuk doet aan de 'uniciteit' van Jezus. Wie Jezus wil onderzoeken, moet rekening houden met de mogelijkheid dat Hij uniek is. Maar het tegendeel is natuurlijk eerder waar: wie Jezus onbevooroordeeld wil bezien, moet juist rekening houden met de mogelijkheid dat hij niet uniek is. Dat gaat Baarlink te ver: 'Aan het begin staat Hij'.

Baarlinks onverstoorbare verdediging van het gereformeerde gedachtengoed wekt desondanks sympathie. Hij mag dan wetenschappelijk gezien een verloren strijd leveren, theologisch gezien heeft hij een punt: wie de leer van de verzoening uit het christendom losweekt, al is het dan niet 'op korte termijn', haalt het hart uit dit geloof. Zelfs de vrijzinnige Kuitert noemt het leerstuk van de verzoening cruciaal, 'wil de christelijke verkondiging van de vergeving der zonden niet in oppervlakkigheid tenonder gaan'. Dat Baarlink en Den Heyer beiden uit Kampen komen, geeft de polemiek ten slotte een pijnlijk, treurig karakter. Hier speelt zich niet zozeer een wetenschappelijk alswel een sociaal drama af in gereformeerde kring.

Zowel Den Heyers 'verlegenheid' als Baarlinks vasthoudendheid, krijgt reliëf voor wie hun boeken leest naast de Introduction to Christianity van Alistair McGrath. Het boek, een bewerking van McGraths eerdere en zeer succesvolle Christian Theology (1994), geeft een voortreffelijke inleiding op de geschiedenis van het christendom en op de belangrijkste leerstellingen. Het maakt ook duidelijk hoezeer het christendom blootstaat aan historische kritiek - en hoe essentieel de leer van de verzoening is.

Het christendom als nieuwe religie, en wel één die zich allengs scherper ging onderscheiden van het jodendom, kreeg na Jezus' dood vorm door het werk van zijn volgelingen, vooral Paulus. Zij stonden voor de taak de onthutsende dood van hun meester niet als een vernederend eindpunt te beschouwen, maar als een nieuw begin. In Paulus' hartstochtelijke versie van het christendom werd de kruisdood een kosmisch drama, een goddelijk offer waardoor de zondige mens, sinds de val van Adam ten prooi aan het kwade, met God werd verzoend. De profeet Jezus werd de enig geboren Zoon van God, door zijn Vader naar de aarde gestuurd om voor onze zonden te sterven.

Dit gaf het christendom een 'winnende formule', zoals A.N. Wilson opmerkt in zijn biografie Paulus (1997). Het kon zich ermee emanciperen van een joodse sekte tot een verlossingsleer die ook niet-joden aansprak. Theologen bouwden Paulus' theologia crucis, in debat met jodendom en Griekse filosofie, uit tot een ontzagwekkende doctrine. De kerkvaders interpreteerden de kruisdood als een offer aan God, als losprijs waarmee de mensheid uit de macht van de duivel werd vrijgekocht, of als kosmische overwinning op het Kwaad.

Plaatsvervanging

De middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterbury formuleerde in Cur Deus Homo (1098), voortbordurend op vele kerkvaders, de zeer invloedrijke 'legalistische' verzoeningsleer, waarin het begrip 'plaatsvervanging' een centrale rol speelt. Jezus stierf in onze plaats, als genoegdoening voor onze zonden. Dat maakt ook zijn menswording begrijpelijk: de mensheid kan alleen van de zonde bevrijd worden door een redder die mens is (dus de noodzaak kent de schuld aan God te lenigen) èn God is (dus in staat is de schuld te lenigen). Het verschil met gewone stervelingen is dat Jezus niet was besmet door de erfzonde en uit vrije wil handelde - zijn zelfopoffering is zijn geschenk aan ons.

Door die interpretatie als 'geschenk' kon de kruidsdood ook worden gezien als een teken van Gods oneindige liefde voor zijn schepselen, een lezing die vooral in de moderne tijd aan populariteit heeft gewonnen, nu erfzonde en boetedoening wat minder courante artikelen zijn. In het werk van Wolfhart Pannenberg en andere twintigste-eeuwse theologen, dat in McGraths boek summier aan de orde komt, verschuift het accent zelfs van de kruisdood naar de opstanding en een 'theologie van de hoop'.

De grote vraag voor het christendom werd na de Verlichting of en hoe deze kerkelijke leer kan worden beschermd tegen de kritiek die sindsdien opgang heeft gedaan. Het inzicht dat godsdienst een cultureel bepaald en tijdgebonden verschijnsel is, is nu eenmaal moeilijk op één lijn te brengen met het uitgangspunt van een goddelijke openbaring. Het christendom wordt door dat inzicht bovendien extra hard geraakt omdat volgens deze godsdienst nu juist op één particulier moment in de menselijke geschiedenis God zelf, en met hem de Waarheid, op aarde is gekomen.

Akelige kloof

Verlichtingsdenkers uit de achttiende eeuw kwamen tot het besef dat in dit 'schandaal van de particulariteit' een metafysisch probleem schuilt voor het christendom. De filosoof Lessing sprak in 1777 van de 'garstige breite Graben', de akelige diepe kloof tussen de toevallige waarheden van de geschiedenis en de noodzakelijke waarheden van de rede. Waarheid is een abstract begrip, terwijl historische gebeurtenissen concrete feiten zijn. Maar hoe kan de waarheid worden vastgesteld in één gebeurtenis, die, zoals alle historische gebeurtenissen, onder andere omstandigheden even goed niet had kunnen plaatshebben? God kan de omstandigheden natuurlijk zo hebben bepaald dat de zaken wel móesten lopen zoals ze zijn gelopen. Maar dat is vragen naar de bekende weg.

Ook C.J. den Heyer vraagt zich nu, tweehonderd jaar later, af: 'Hoe moet ik mij dat voorstellen? Hoe kan de dood van iemand in een ver verleden voor mij, die vele eeuwen later leeft, heil en redding brengen?' Opnieuw opent Lessings diepe kloof zich. In Verzoening klinkt overigens tussen de regels ook andere kritiek uit de tijd van de Verlichting door. Op de erfzonde, als strijdig met menselijke verantwoordelijkheid. Op het 'plaatsvervangend' sterven, waarvan het morele gehalte in twijfel werd getrokken.

De radicale uitweg van Martin Kähler, Rudolf Bultmann en anderen dat de 'ware' Jezus niet in de historie maar in de prediking te vinden is, lijkt voor een kerkgemeenschap uiteindelijk te veel gevraagd. Niet voor niets wordt de Groot-Inquisiteur van Dostojevski gezien als een toonbeeld van kerkelijk cynisme als hij tegen de teruggekeerde Jezus, laatdunkend, opmerkt: 'Al acht eeuwen zijn wij niet meer met u, maar met Hem.'

Een andere, bescheidener uitweg biedt de postliberale theoloog George Lindbeck in zijn invloedrijke, en omstreden, boek The Nature of Doctrine (1984). Godsdienst is volgens Lindbeck geen cognitief stelsel van uitspraken over de werkelijkheid, een systeem van kennis, maar evenmin een uitdrukking van universele menselijke ervaringen. Een religieuze traditie is een historisch gegroeid cultuurgoed, een basale houding die kleur en diepte geeft aan het leven. Mensen zijn cultuurwezens die graag 'aan godsdienst doen'.

Tot ze er genoeg van hebben.