Heidegger

Heideggers liefde voor het skiën (Boeken, 28-11-1997) in verband met een begeerde ontmoeting met Sartre in 1945 heeft mijns inziens minder te maken met een 'onconventionele instelling' dan met zijn zoeken naar steun, waar en bij wie hij maar kon, ten tijde van zijn pijnlijke 'zuivering' als gereputeerde nazi.

Het ligt ook voor de hand dat Sartre, die toen pas goed furore begon te maken, er niet over heeft gepiekerd om deze gecompromitteerde Duitser in, nota bene, de Franse bezettingszone te gaan bezoeken. De persoonlijke aantrekkingskracht tussen deze twee grote geesten moet trouwens uiterst gering zijn geweest, hoe veel Sartre ook van Heidegger had geleerd of in zijn werk gewoon vertaald (alleen al de titel van L'être et le néant is Heideggeriaans).

De allereerste zin in de Inleiding in de metafysica, door Heidegger gesteld als de grondvraag van de metafysica: 'Waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets?' ('Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?'), is door Heidegger, zoals hij pleegde te doen, niet beantwoord, maar voorzien van uitvoerige beschouwingen die meer verduisteren dan verhelderen. Het voor de hand liggende antwoord kon luiden: omdat dat 'niets' ten eerste zelf niet bestaat of denkbaar is, en omdat wij, zelf 'niets' zijnde, deze vraag niet eens zouden kunnen stellen'.

Bij twee beruchte passages uit dit boek van 1953 op grond van colleges uit 1935, waaruit zijn aanhankelijkheid aan de nazileer spreekt, wrijft Heumakers zich de ogen uit, en zeker niet als eerste. Met name in 1933 hebben tallozen zich natuurlijk over zijn 'bekering' verbaasd en geërgerd, en zich de ogen uitgewreven over het proza dat hij in deze kwaliteit produceerde. Het is te raadplegen in de vernietigende documentatie van Guido Schneeberger, In Sachen Heidegger (van 1962, dus lang voor de geruchtmakende studie van Farias uit 1987, Heidegger et le nazisme). Het meest verbazingwekkend is nog dat Heidegger deze passages in 1953 'rustig' publiceerde. Wie de tweede passage naleest kan zich tegelijk verbazen over de wijze waarop Heidegger hier tegelijk enige mede-filosofen en de grote Nietzsche op het strafbankje zette. Een verklaring met name van die eerste uitval zou hier te ver voeren, maar zij had zeker te maken met Heideggers slechte relatie met enige prominente nazi-filosofen.