Harry G.M. van Deyssel

De mannen waaruit ik besta raakten niet uitgepraat over Lodewijk van Deyssel en Harry G.M. Prick. Een van hen zei: “In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890. Zo heet dat boek van Prick. Duizendtachtig bladzijden, en Van Deyssel is zesentwintig als die vol zijn. Hebben jullie dat tv-programma 'Boeken' van Michaël Zeeman gezien waarin het besproken werd?”

“Ja”, zei een ander. “Het panel was giechelig. Zeeman giechelde dat Van Deyssel misschien een halve gare was en zijn biograaf... Dat liet hij nog wat meer in het midden. Een lid van zijn panel begon al te giechelen bij de gedachte dat ze ooit iets van Van Deyssel zou lezen. Hij is wel erg vergeten.”

“En hij was zo beroemd”, zei een derde. “Dat 'Ik houd van proza', de scheldkritieken... Die hebben het een tijd uitgehouden. En vergeet niet dat zijn onmatige behoefte om iedere indruk in gloednieuw prachtproza vast te leggen onze literatuur tientallen jaren heeft verpest. De woordkunst! Vreselijke invloed heeft die man gehad.”

“Reken eens uit”, zei een ander. “Toen wij vijftien waren, in 1937, bestond Een liefde vijftig jaar. De eerste naturalistische roman, een schokkend boek, misschien wel een onwelvoeglijk boek, slecht verkocht overigens. Het had alle glans verloren. Neem nu eens De avonden van Reve, vijftig jaar oud. Zou iemand van vijftien dat boek niet gewoon kunnen lezen? Het schijnt zo te zijn.”

“Zouden we het niet over het boek van Harry G.M. Prick hebben?” zei de eerste. “Die heeft zijn hele leven de verplichting gevoeld deze biografie te schrijven. Hij had het, piepjong, aan de stokoude Karel Alberdinghk Thijm beloofd.” Een ander zei: “Eén ding hebben ze gemeen, de onmatige drang naar volledigheid. Van Deyssel noteerde alles, maakte lijstjes van wat hij zou ondernemen, tot in de zotste details en over de zotste besognes, als schoenen poetsen bijvoorbeeld, hield zich niet aan zijn eigen instructies, begon aan nieuwe lijsten. Een zonderling. Prick weet naar zijn eigen smaak nooit genoeg. De stokoude Van Deyssel vertelde hem over de mooie handen van zijn oudere broer Frank, en dat Frank elke dag zijn nagels liet verzorgen door een manicure, mevrouw Paerel. Dat was Prick niet genoeg. Hij ging op onderzoek. M. Paerel heette de pedicure die daarnaast ook manicuurde. Hij woonde op de eerste verdieping van het hoekhuis Amstel 54 bij de Halvemaansteeg. Op de begane grond dreef de weduwe J.J. van der Moolen haar tapperij en slijterij. Gevreesd moet worden dat van daaruit wel eens enige luidruchtigheid tot de bovenverdieping doordrong, juist ten tijde dat Frank zijn nagels daar liet behandelen. Dat vertelt Prick. Ik las het vlak voor ik naar bed ging. Nooit ben ik meer ontspannen ingeslapen. Eindelijk wist ik hoe de manicure van de broer van Lodewijk van Deyssel heette en waar hij werkte.”

Een van ons petste zijn matig gemanicuurde rechterhand op de tafel en blafte: “Daar zitten we godallemachtig met hetzelfde dedain te meieren, te mopperen, te monkelen als dat muffe, maffe panel van Zeeman. Van Deyssel was een geniale jongen, een onmogelijk mens, ook voor zichzelf, een hartstochtelijk bewonderaar van zijn eigen waanzin, een... ach, je moet die duizend bladzijden van Prick lezen om je een voorstelling te maken van het fenomeen. De zucht naar opperste exaltatie, in de kunst, in dandyisme, drinken, hoerenlopen, de maniakale opdrachten aan zichzelf om tot werk te komen, de inzinkingen, de onmaatschappelijkheid. Prick volgt de jongen op de voet, in Amsterdam en België, van document naar document, met bewondering, met sympathie maar beslist niet zonder kritiek. Een meesterwerk.”

“Dan wel een raar meesterwerk”, zei een ander. “Prick polemiseert met de geleerde Gerard Brom die onaardig heeft geschreven over het kindermeisje van de kleuter Karel Alberdinghk Thijm. Hij zorgt voor een herstel van Mietje van der Vliet. De verachtelijke Brom heeft Mietje verwisseld met een ander personeelslid. Een respectabele vrouw was ze, later goed getrouwd met een doodgraver... Jongens, je weet echt niet wat je leest.”

“En als Karel met zijn broer Frank een paar nachten in Aken logeert”, zei een van ons, “een hele verhandeling over de hotels van Aken! Er staat veel te veel volstrekt irrelevante informatie in het boek. De citaten uit de brieven van de vrienden zijn ook vaak veel te uitvoerig. Er komt nooit eens een samenvatting, je slentert maar verder, dag na dag Van Deyssel achterna. Er is ineens sprake van een stuk 'Nieuw Holland' dat niet gepubliceerd wordt, en je komt er pas langzaam achter wat dat voor een stuk is. Er is geen compositie. Ik had een hoofdstuk over Een liefde willen lezen, over het schrijven, het drukken, de ontvangst in de pers en bij de vrienden. Dan hier, dan daar komt het boek ter sprake, als het in de chronologie past, als er een brief binnenkomt bijvoorbeeld. Ik vind dat zwak.”

“Een meesterwerk”, zei de hardnekkige. “Wij hebben ons vele vele vele uren beziggehouden met het boek, en waren zelfs geboeid als we ons verveelden of de schrijver bespotten. En Prick brengt zijn sympathieën en antipathieën even traag als indringend over. Van Deyssels moeder mag hij niet. Van Deyssels zus Catharina haat hij. Van Deyssels broer Frank, de zozeer bewonderde, blijkt een non-valeur. Hij is zo gesteld op Van Deyssels vader, de koopman/letterkundige, een belangrijk man voor de rooms-katholieke emancipatie, een erudiete, hoofse, hulpvaardige, liefhebbende vader die zich het leplazarus werkt om drie van zijn kinderen ook tijdens hun volwassenheid te kunnen onderhouden. En Van Deyssel wordt met veel humor bewonderd door Prick, in zijn genie en zijn onredelijkheid. Het is duidelijk dat hij vaak om hem heeft moeten lachen en hem nooit heeft willen verloochenen. De excentrieke biografie van een excentrieke man. Heerlijk. Er komt nog een deel, over Van Deyssels leven van 1890 tot 1952. Heerlijk.”