'Happy hour'

IN CALIFORNIË kan bijna alles. Men kan er een paar nieuwe borsten kopen en een vuurwapen dat een stalen deur doorboort, men kan er een hele nacht eten en een hele dag rijden. Maar sinds 1 januari kan men niet een café binnengaan en een sigaret opsteken. De staat heeft een rookverbod afgekondigd voor alle openbare drinkgelegenheden.

Ook al wordt dat vooralsnog vooral ontdoken, omzeild en overtreden. Er zijn cafébezoekers waargenomen in de deuropening van de kroeg met een glas in de ene hand (binnen, want drinken in het openbaar is vaak ook al verboden) en een rokertje in de andere (buiten). Dat is geen belemmering voor het bestwildenken van de overheid. Ten minste één gidsgemeente in de staat, de City of Davis, heeft een rookverbod ingevoerd voor de directe omgeving van horecagelegenheden. Waar houdt de bureaucratische bedilzucht op?

Minister Sorgdrager (Justitie) lijkt nu een Nederlandse variant te hebben ontdekt, zo blijkt uit haar nota over de voorkoming en bestrijding van geweld op straat. Zij wil een verbod van het zogeheten happy hour in horecagelegenheden, het uurtje aan het begin of soms het einde van de avond waarin de waard de drankprijzen sterk reduceert. De minister motiveert dit met de ontremmende werking van alcohol die gemakkelijk agressie kan oproepen of uitlokken.

GEWELD in of rond het uitgaansleven is een toenemende bron van zorg, geaccentueerd door de tragische dood van Joes Kloppenburg in Amsterdam en van Meindert Tjoelker in Leeuwarden. Dat drankgebruik een rol speelt, staat buiten kijf. Evenzeer is duidelijk dat er meer aan de hand is dan de populariteit van het happy hour in het uitgaansleven. Sorgdrager waarschuwt zelf al dat “het geweld in zijn uitingsvorm weliswaar situationeel is bepaald, maar niet los kan worden gemaakt van dieperliggende maatschappelijke oorzaken”. Ze wijst onder meer op processen van ontgroening en vergrijzing in de samenleving, toenemende verveling, etnische tegenstellingen.

Dat is natuurlijk geen reden na te laten de uitgaansindustrie aan te spreken op haar eigen verantwoordelijkheid. Er valt nog van alles te doen aan het opstellen van huis- en gedragsregels in uitgaanscentra, beter toezicht en, wie weet, zelfs het opstellen van wapendetectors of videosystemen. Al blijft het met al die technische tovermiddelen oppassen voor een spiraal van vervreemding. Moet het in de horeca net als in de voetbalstadions uitdraaien op een persoonsgebonden toegangskaart? Het wakend oog van de kastelein en van de agent op straat verdient waar mogelijk de voorkeur.

EEN BEETJE MINDER scheutig zijn met drankjes tegen afbraakprijzen, zeker tegen sluitingstijd, kan het welbegrepen eigenbelang zijn van de horeca. Maar een verbod van staatswege is een verkeerd signaal. Tot dusver heeft de overheid met reden de nadruk gelegd op zelfregulering door de horecabranche. Er dient wel een stok achter de deur te zijn (vergunningenbeleid) en de overheid kan zelf een helpende hand uitsteken. Bijvoorbeeld door verstandige spreiding van de sluitingstijden in uitgaanscentra zodat er niet in één klap moeilijk beheersbare menigten op straat staan. Vaak zit de kneep bij lokaal uitgaansgeweld in zulke triviale dingen als een gebrekkige aansluiting tussen de nachtbus op het uitgaan van een populaire disco.

Het is politiek gezien wel om wanhopig van te worden. Toen minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) na de dood van Meindert Tjoelker pleitte voor een uitbreiding van de politiesterkte met enkele duizenden mensen in de volgende kabinetsperiode, verweet het PvdA-Kamerlid Van Heemst hem direct “gemakzucht”. Toch zat daar ook iets in zolang de politieroosters niet bevorderlijk zijn voor de inzet van personeel tijdens de uitgaansuren. Zolang er nog zoveel te doen is, is een ministerieel verbod op het happy hour principieel niet juist en contraproductief.