Gesprek met essayist en componist Elmer Schönberger; Altijd en overal: Bach

Elmer Schönberger schrijft over muziek en componeert ook. “Als ik componeer probeer ik zo precies mogelijk vorm te geven aan een idee of aan een tekst, meer niet.” Aanstaande zaterdag gaat zijn koorstuk 'en nergens Bach' in première, dat muzikale vorm geeft aan drie gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson.

'en nergens Bach': 28/2 15 uur Concertgebouw Amsterdam. En: 31 maart, 20.02 uur Radio 4

De lift heeft van die ijzeren hekjes die je met de hand moet openschuiven. De vloeren van het appartement, op de vierde etage, zijn van krakend hout. In de WC hangt een waarschuwing: de bril ligt los. De Vlaanderenstraat, Gent, tegenover de rococogevel van Hotel De IJzer (gesloten) en de jaren-zeventig-nieuwbouw van lampenwinkel d'Haenens. Hier woont Elmer Schönberger - in de twee jaar dat zijn vrouw Els Ingeborg Smits haar rol speelt bij De Blauwe Maandag Compagnie. Hier heeft hij, in splendid isolation, 'en nergens Bach' gecomponeerd - het koorwerk dat op 28 februari wordt uitgevoerd in het Concertgebouw in Amsterdam. Voor de eerste keer, een wereldpremière.

“Ik zie hier niemand”, zegt Schönberger. “Toen ik hier net was, vroeg het conservatorium van Gent of ik lezingen wilde geven. Het eerste half jaar niet, zei ik. Het tweede en het derde half jaar wilde ik het nog steeds niet.”

Heerlijk vindt hij het om een tijd weg te zijn uit Amsterdam, waar hij ongeveer alle concerten hoort, iedereen ziet en overal iets van moet vinden. Schönberger is musicoloog, componist, criticus, schrijver. Hij adviseert het Schönberg Ensemble en hij deed zes jaar lang de muziekprogrammering voor het Holland Festival. Toen hij daarmee ophield, vroeg André Hebbelinck - programmeur van de Matinee op de Vrije Zaterdag en hoofd Muziek van de Vara - of hij een stuk voor hem wilde maken. “Ik dacht: dat ga ik doen in Gent”, zegt hij. Hij wil graag eten aan de overkant, in Snack Express Martino, omdat het er zo Belgisch is. Biefstuk, frites en sla, geserveerd op formicatafeltjes, onder neonbuizen. Het is zondagavond. Rondom zitten verloofde stelletjes en volwassen zoons met hun moeders.

'en nergens Bach'. Waarom heet het werk zo?

“Het is uit het tweede van de drie gedichten van Lars Gustafsson die ik heb gebruikt, 'De stilte van de wereld voor Bach'. Het gaat over het voor ons onvoorstelbare geval van een wereld waarin nog nooit de Matthäus Passion heeft geklonken of de Johannes Passion. Ik kende de bundel tien jaar geleden al, toen die was verschenen in een vertaling van Bernlef. Als ik een kastje met lievelingspoëzie had gehad, dan had ik hem daar in gezet.”

En waarom Gustafsson?

“Het zijn koele, zakelijke gedichten. Ze hebben iets heel onafs, geen krullen, geen ornamenten. Ze gaan met heel gewone woorden over ogenschijnlijk heel gewone dingen. Maar dan zijn het wel dingen als geluid dat zo hoog of zo laag is dat je het niet kunt horen. Dingen die er niet zijn.”

Een paar dagen later stuurt hij - en dat past helemaal bij hem, hij is bedachtzaam - een fax waarin hij schrijft dat hij pas 's avonds in bed wist wat hij had moeten antwoorden: “Ik kan daar geen sluitend antwoord op geven, want als ik dat kon, zou ik ze waarschijnlijk niet meer gecomponeerd hebben.”

En: “Bij Hindemith las ik eens dat een te componeren tekst voor hem een soort open plekken moest hebben, iets wat door de dichter is uitgespaard.”

De open plek bij Gustafsson is, schrijft hij, de klank die niet gehoord kan worden.

'Over de laagste geluiden', eerste strofe:

Er rust een toon in grote orgels de tweeëndertig voetige bas, contrafagot

geweldig trillende luchtpilaar, najaar wanneer het water in de bronnen stijgt.

“Ik hou erg van de natuurbeelden”, zegt Schönberger. “De vlakte, de kaalheid, sneeuw en ijs.”

Zijn vorige werk - uit 1995, nog niet uitgevoerd - heet 'Het lege kwartier' en dat gaat over de Gobi-woestijn, gebaseerd op teksten van Marco Polo. Hij trok zelf vijftien jaar geleden eens in een Landrover door de Sinaï. De beelden in 'en nergens Bach' herinneren hem aan de tocht, liftend en lopend, van twee en een halve maand die hij als achttienjarige maakte naar de noordpunt van Skandinavië. “Er is geen natuur die zo de oneindigheid suggereert.”

Ja, natuurlijk had hij 'Nooit meer slapen' van W.F. Hermans gelezen - over de adolescent Alfred die volwassen wordt tijdens een tocht door Lapland - en Schönbergers reis had, zegt hij, ook alle kenmerken van een initiatie. “Maar ik vond het alleen maar geweldig. Slapen in de open lucht, nachten doorlopen om een pont te halen, dat is allemaal fantastisch als je achttien bent.”

Hij droomde er toen van om later, na zijn studie musicologie, terug te keren en veldwerk te doen onder de Lappen. Hij wist toen al heel lang dat hij wilde componeren. “Ik kan niet zeggen waarom. Er was voor mij wat dat betreft geen waarom. Het was niet om me uit te kunnen drukken of zo. Ik wilde weten hoe het zat in de hoofden van makers, niet in die van spelers.”

Bent u daarom ook schrijver?

(Schönberger schrijft al jaren in Vrij Nederland, schreef onder andere boeken over Strawinsky, en over een paar maanden, zegt hij, verschijnt een nieuwe bundel essays.)

Hij zegt: “Ik ben meer een schrijver dan een componist. Ik vóel me meer een schrijver. Maar het vervult verschillende behoeften. Het zijn twee vaatjes waaruit ik tap.”

Welke behoeften?

“Daar zit ik vaak aan te denken. Ik kan er alleen maar clichés over uitslaan.”

Het zijn gewoon twee manieren om je uit te drukken?

“Pff, dat woord uitdrukken, ik weet niet wat dat betekent. Een schrijver kan zich misschien uitdrukken in woorden. Maar muziek is veel te zelfstandig om van te kunnen zeggen: daarin drukt iemand zich uit. Als ik componeer probeer ik zo precies mogelijk vorm te geven aan een idee of aan een tekst, meer niet.”

De muziek van het derde gedicht van Gustafsson is daarom, zegt hij, de meest rijke in vorm en structuur. Het tweede is het strengst: een strak procedé van herhaling van akkoorden, waarbij de afstand tussen de akkoorden steeds kleiner wordt. “De tekst vroeg mij dat.” De muziek is geschreven voor een koor van vierentwintig stemmen, twee harpen, twee toetsenisten die de piano, het klavecimbel, de celesta en een synthesizer bespelen, en twee slagwerkers. Er is een solo voor de viool en een solo voor de trompet.

En er zit geen Bach in?

“Jawel, in het tweede gedicht, heel even. Daarin hoor je de tonen Bes, A, C en B, samen Bach in het Duits.”

Een eerbewijs?

“Ik heb hier in Gent een piano waar je geen Debussy op kunt spelen. Ik speel elke dag Bach. Altijd en overal: Bach. Over hem kan ik ook alleen in clichés spreken, bovenaardse schoonheid, wiskunde èn natuurkunde en zo.”

Je kunt aan hem zien dat hij zichzelf hoort praten en dat het hem niet bevalt.

Hans van Manen zei dat hij op zijn ene schouder Diaghilev heeft zitten en op de andere u.

Hij onderdrukt alle valse bescheidenheid. “Ach wat, zegt hij dat?”

Op een gegeven moment, zegt hij, kwam hij erachter dat Van Manen al zijn stukken kende en zich erdoor liet inspireren voor zijn choreografieën. “Ik heb er geen moeite voor gedaan.”

Bent u benieuwd hoe uw werk zaterdag klinken zal?

“Als je het net af hebt, denk je dat je het wel weet. Maar na een tijdje denk je: is het wel wat ik bedoel? Het is zo weinig wat er staat. Is het niet te iel of te kort? Ik ben niet zo'n geroutineerde componist. Als schrijver heb ik veel meer zelfvertrouwen. Maar ik weet van Tristan Keuris, die oneindig veel meer componeerde dan ik, dat hij voor elke première ook kapot was van de zenuwen.”

De slapeloze nachten, verwacht hij, zullen nu wel ongeveer gaan beginnen. “De muziek”, zegt hij, “is veel meer een sterrenstelsel dan de literatuur. In de muziek heb je zonnen met planeten die eromheen draaien. Ik bedoel: de relatie meester/leerling is heel belangrijk, en van welke school je bent. Je leest nooit: deze schrijver is een leerling van die en die. Een schrijver heeft het over zijn onderwerp, een componist over de techniek.”

De verklaring is simpel, zegt hij: muziek is veel abstracter. “Ik ben op glad ijs, maar ik probeer me zo min mogelijk bewust te zijn van de muzikale sterrenstelsels. Ik bekommer me steeds minder om mijn plaats.”

Maar u wordt er wel op beoordeeld.

“Ja, dat is het lastige.”

En op uw beurt bent u vaak degene die oordeelt. U bent in de ogen van veel mensen een machthebber in de muziek.

“Toch heb ik geen enkele macht, behalve die van de opinievorming. Ik verdeel geen gelden. Ik ben nergens manager van. Het is het laatste wat ik zou willen zijn. Ja, bij het Holland Festival kon ik het wel zeggen: ik neem jou of ik neem jou niet. Het was niet iets waar ik plezier aan beleefde. Het interesseert me niet. Ik wil dingen maken. En ik wil dat wat ik maak wordt gelezen en gehoord.”

Was hij maar, denkt hij weleens, honderd jaar eerder geboren in een gefortuneerde familie. “Dan had ik rechten of zo gestudeerd, net als Strawinsky, en dan had ik een goedbetaald luizenbaantje genomen en me verder helemaal aan de kunst gewijd.”

Later op de avond thuis - nog maar een paar weken en dan gaat hij weer terug naar Amsterdam - laat hij de partituur zien en de uitgeknipte, gekopieerde teksten van Gustafsson die hij heeft gebruikt. Onderaan het gedicht 'Over de laagste geluiden' heeft hij in keurige potloodlettertjes, heel klein, zijn eerste gedachten genoteerd:

Muzikanten - verdeeld over twee delen van het koor

Boventooncomplexen: elektronisch

vocaal

Zich in de tijd verdichtende en vertragende/versnellende akkoorden

Instrumenten?

“Die elektronische boventonen worden nu gemaakt voor de synthesizer. Heel mooi, heel zilverachtig.”

Schönberger kijkt ernaar alsof het aantekeningen van een ander zijn. “Het is allemaal toch heel anders geworden.”

Uit: 'De stilte van de wereld voor Bach':

Er moet een wereld bestaan hebben

voor de triosonate in D, een wereld voor de

Partita in a mineur Maar hoe zag die wereld eruit?

Laatste strofe:

en nergens, nergens Bach schaatsstilte van de wereld voor Bach. “Daarvoor wil ik het geluid hebben van een elfstedenschaatser die de laatste kilometers over de Bonkevaart aflegt”, zegt hij. “En in dat geluid wil ik horen dat hij dood wil. Ik zou het een puur geluid willen noemen, als ik puur niet zo'n rotwoord vond.”

Het laatste deel van 'en nergens Bach' begint met een slagakkoord van harp, piano, gong, zweepslag en kleine bekkens. Het geluid wordt gedempt door een kaasstolp. Voorzichtig als hij voortdurend is: “Dat vind ik misschien het mooiste moment. Je weet dat de tonen nog klinken. Maar je hoort ze niet meer.”