Geboeid door exotica; Radiomaker en verzamelaar Wim Bloemendaal

Wim Bloemendaal maakt het radioprogramma 'De gezamenlijke zenders Paesens en Moddergat' voor de VPRO. Daarin legt hij dwarsverbindingen tussen muzieksoorten uit de hele wereld. “In de muziekkamer wijst hij nog op een vitrine met miniatuur-autootjes. Honderden? Een paar duizend?”

'De gezamenlijke zenders Paesens en Moddergat' is iedere woensdag- en zaterdagochtend van 5 tot 7 te beluisteren op Radio 1

In de heel vroege ochtend van de woensdag waarop wij afgesproken hebben laat Wim Bloemendaal (61) via Radio 1 de stem horen van de Egyptische zangeres Asmahan. Zij zingt, overigens zeer welluidend, een lied met van die Arabische uithalen, maar ook met invloeden van de Zuidamerikaanse tango, van zigeunermuziek en zelfs, als je goed luistert, van de Bolero van Ravel. Tevoren heeft Bloemendaal zijn luisteraars op deze bijzonderheden geattendeerd. Als de plaat met muziek en zang uit de jaren dertig afgelopen is vertelt hij meer over Asmahan, die ooit een der populairste sterren van Egypte was. In 1944 kwam ze bij een auto-ongeluk om het leven. Al onmiddellijk werd er gefluisterd dat er vraagtekens bij dat ongeluk gezet moeten worden, dat Asmahan geslachtofferd werd in de strijd tussen de Duitse en Britse geheime diensten. Een Egyptische Mata Hari?

“Dat zullen we nooit weten,” zegt Bloemendaal spijtig.

Wel heeft hij kunnen uitzoeken dat Asmahan in haar land vooral hoog scoorde met het lied 'Ya Habibi Taäla' (O, liefje kom bij me) maar dat de melodie daarvan gestolen was van de Cubaan Antonio Machin die het muzikaal overeenkomstige lied 'El Huerfanito' (De wees) al zong toen Asmahan twaalf jaar oud was.

Wim Bloemendaal weet dat soort dingen en vertelt ze graag door. Sinds 8 oktober 1992 doet hij dat tweemaal per week voor de VPRO-radio en meer in het bijzonder in het programma 'De Gezamenlijke zenders Paesens en Moddergat', dat 's morgens tussen vijf en zeven uur in de lucht is.

De plaatsnamen slaan op twee piepkleine voormalige vissersdorpjes die in het uiterste noorden van Friesland aan de voet van de Waddendijk neerhurken. De laatste tijd is de naam van Moddergat wat bekender geworden door de publiciteit rondom enkele in de buurt gepleegde geheimzinnige moorden.

Dat Bloemendaal juist daar symbolisch zijn zender opstelde heeft behalve met zijn Friese achtergrond te maken met de wijdsheid van het uitzicht over het wad dat ter plaatse van de dijk af genoten kan worden: “Je ziet daar als het ware de hele wereld en daar gaat ook mijn programma over.”

Inderdaad, zijn matineuze uitzending gaat over dikwijls totaal onverwachte invloeden, dwarsverbindingen en wederzijdse betrekkingen tussen de pop, jazz, volks- en klassieke muziek waar ook ter wereld. Sinds het begin van deze eeuw de grammofoonplaat werd vervolmaakt kunnen de muzikanten van India, Europa, Amerika en Afrika en ook van Australië elkaar horen en vervolgens door elkaar geïnspireerd worden. Ze schuiven genres in elkaar en passen muziekinstrumenten van heel ver weg aan hun eigen eisen aan. De presentator wordt door deze exotica geboeid, is in het bijzonder geïnteresseerd in de oude Amerikaanse jazz en ziet soms verbindingen met de klassieken en de opera.

Zijn programma is eigenlijk een doorlopend musicologisch college, er wordt tussen de platen en cd's door veel verteld en uitgelegd. Over de in de tijd en de geografie heen en weer kaatsende invloeden, over zangers en instrumentalisten die eens wereldberoemd waren en nu het herklinken waard zijn. Zoals gezegd duiken in de Balkan of in Afrika bedachte instrumenten in allerlei gedaantes en aanpassingen op in Amerika of Leeuwarden.

Het kan dan gaan over de didgeridoo van de Australische aboriginals, een melodieuze blaastoeter. Of over de Afrikaanse mbira, hier wel als duimpiano aangeduid, de kankles uit Litouwen, een snaarinstrument. Maar ook over de contra- of basfagot, een minder bekend instrument uit onze eigen streken.

Dominee

Bloemendaal bereidt zijn programma voor als een dominee zijn zondagse preek. Maar dan tweemaal per week, beginnend met een dikwijls toevallig invallend basisidee en dan via vrije associatie en gedachtensprongen peinzend naar een niet al te onlogische maar toch verrassende afsluiting. Zijn oog valt bijvoorbeeld op een cd van dr. Didge, een Engels/Australische groep, genoemd naar de hierboven al genoemde didgeridoo, de blaaspijp. Hun muziek leidt regelrecht naar de aboriginals met hun vertellend gezang maar ook naar de Australische Nellie Melba, in het begin van de eeuw een wereldberoemde coloratuur-sopraan. Haar stem komt in een aria uit de Nozze di Figaro tot ons, ze zong de aria omstreeks 1910 en het geluid is dan ook niet perfect. Reden voor Bloemendaal om het even daarover te hebben en uit te leggen dat alleen de pianola perfect en zuiver blijft klinken omdat de muziek met een soort ponsgaatjes in een rol is gestoken en tot in lengte van dagen via de mechanische piano kan blijven klinken. Gershwin heeft veel van die pianorollen ingespeeld en dat leidt dan weer naar Leeuwarden waar een saxofoonkwintet muziek van de Amerikaanse meester speelt. Bloemendaal weet ten slotte bij een zangeres in Mali terecht te komen.

Met een uitzendlijst en de bijbehorende muziekdragers begeeft Bloemendaal zich, na om half vier te zijn opgestaan, op woensdag en zaterdag naar de VPRO-studio in Bussum, die dan nog leeg en verlaten is: “Ik ga tegenwoordig niet meer in de omroepcel zitten met glas tussen de technicus en mijzelf, maar in de ruimte van de technicus zelf.”

Hij vindt de zwijgende aanspraak van zijn assistent prettig en zijn reacties op iets wat weer leuk en interessant was.

Alle platen en cd's die nu al een kleine vijf jaar tweemaal per week worden uitgezonden zijn afkomstig uit zijn eigen collectie waarvan hij de omvang niet precies weet maar die 'enkele duizenden' geluidsdragers, 78-, 45-toerenplaten, langspeelplaten, cd's moet omvatten.

Wim Bloemendaal is een pathologisch verzamelaar. Niet alleen van muziek, maar ook van fietsen, tot op zekere hoogte van auto's, van dinky-toys, van alles dat betrekking heeft op de stoomperiode van de Franse spoorwegen en van joodse boeken.

Een belangrijk deel van zijn huis is, drie verdiepingen hoog, met zijn collecties gevuld. Muziek op de begane grond, een uitgebreid Frans spoorwegcomplex op de eerste verdieping, compleet met de omliggende begroeiing en bebouwing en een keur aan modellen van locomotieven en ander materieel. Nog een trap hoger, in wat eigenlijk een logeerkamer is, en in een schuurtje buiten, negentien fietsen. Uit de jaren dertig en vijftig, soms met een cardan in plaats van een ketting, een paar ligfietsen, een fiets met een verend in het frame opgehangen zadel. 's Zomers worden die fietsen, die met zorg worden onderhouden, metterdaad gebruikt.

In verband met zijn afwijkingen is Bloemendaal lid van de Fryske Krite (vooral voor de Friese volksmuziek), van de Vereniging voor Joodse Genealogie, van het Pedersen-genootschap (liefhebbers van een bepaald type Deense fiets), van de vereniging De Oude Fiets en van de Engelse SNCF-society, een club van Engelse verzamelaars op het gebied van de Franse spoorwegen. Die bestaat echt!

In het verhaal over zijn verzamelaarsdrift zal hij een aantal malen zijn vader noemen. Van hem heeft hij het. Zijn vader was hevig geïnteresseerd in de jazz en sleepte zijn zoon al vroeg mee als hij weer op platenjacht ging. Naar oude jazz, maar ook naar klassiek en folklore: “Ook ging ik altijd mee naar concerten, ik heb heel veel gehoord, het was een deel van mijn opvoeding.”

Progressieve vader

Bloemendaal ontdekte dat zijn vader geïnteresseerd was in muziek die bij vriendjes thuis niet eens gedraaid mócht worden, de jazz: “Het vreemde was dat hij progressiever was dan zijn zoon. Hij was eerder dan ik bij de Westcoast, Gerry Mulligan, Chet Baker.”

De zoon werd fanatieker. Hij kreeg een boek over jazz in handen en begon systematisch de in de index genoemde platen op te sporen, zorgvuldig met sterretjes en cirkeltjes bijhoudend wat al verworven was en wat nog per se gevonden moest worden. Het breidde zich meer en meer uit tot andere muziekgenres, terwijl ook lijsten, knipsels en boeken werden opgenomen voor de research die bij het echte verzamelen behoort. Een groot deel van Bloemendaals collectie zit dan ook in zijn hoofd.

De oude platen uit de jaren twintig en dertig, of van nog eerder, zijn merendeels in neutrale pakpapieren hoesjes gestoken, terwijl ook het label niet méér vermeldt dan een titel en de namen van maatschappij en bandleider. Onderzoek in de boeken en elders moet tot gegevens leiden als de precieze opnamedatum en de namen van de overige leden van de band. En ook tot allerlei onverwachte gegevens over de geschiedenis van een nummer, de invloed van en op anderen, de navolgers elders in de wereld, enz. Dan bijvoorbeeld kan een spoor gevonden worden naar India, waarschijnlijk het land met de grootste amusementsindustrie ter wereld. Hij kwam er een zangeres tegen, Lata Mangeshkan heet ze, van wie 30.000 opnamen bekend zijn.

Ten minste eenmaal per week gaat Bloemendaal in Amsterdamse winkels op jacht. De oude platen zijn er vrijwel niet meer, maar wel, zegt hij, een onverwacht grote cd-markt met oude volks- en andere muziek. Het zijn vooral kleinere Franse en Engelse maatschappijen die zich daarmee bezig houden. In die landen, weet Bloemendaal, is ook een veel grotere belangstelling dan hier voor de cultuur en in het bijzonder de muziek uit de voormalige koloniën. Hier is de muziek uit Indonesië nooit serieus genomen. Zo heeft op Bali een Amerikaanse componist, Mcphee, gewoond die de invloeden van de Balinese muziek in zijn composities toeliet. Nederlandse muziek met Indische invloeden is onbekend.

Hoeveel mensen luisteren is nooit precies uitgezocht. Aan de omvang en kwaliteit van zijn post kan afgelezen worden dat er een vaste kern van trouwe luisteraars bestaat. Ze schrijven brieven met tips en opmerkingen. Met enkelen van hen is zelfs een persoonlijke vriendschap ontstaan. Een echtpaar liet hem weten het programma altijd op te nemen om er dan later in de ochtend, bij de koffie, naar te luisteren. 'Moddergatten' noemen ze dat. De post is vooral afkomstig van wat oudere luisteraars. De ex-onderwijzer Bloemendaal ziet dat aan de handschriften.

Hij rijdt tegenwoordig in een hedendaagse auto. Tot voor betrekkelijk kort bewoog hij zich voort in antieke auto's. In zo'n Maigret-Citroën bijvoorbeeld, gevolgd door een Nash uit 1937, een Chevrolet uit 1938, een Ford-lijkwagen, compleet met gordijntjes en ornamenten, uit 1953, een Lincoln uit 1936.

Hij werd dan ook lid van de bijbehorende fanclubs en verzette schrijvend en telefonerend bergen werk als ergens een bepaald onderdeel nodig was. Er wordt van hem verteld dat hij ooit speciaal naar Frankrijk is gereden om een wieldop van zijn oude Citroën te zoeken. Hij wil dat verhaal bevestigen noch ontkennen maar vertelt wel dat hij per zeer snelle trein in één dag heen en weer naar Parijs is gereden om daar het model van een bepaald dieselvoertuig te zoeken en een paar nummerplaten van Franse locomotieven. Hij vertelt er graag, uitvoerig en gedetailleerd over. Hoe hij tussen alles door ook nog een tot 1700 teruggaande stamboom van zowel moeders- als vaderskant uitzocht.

In de muziekkamer wijst hij nog op een daar opgestelde vitrine met miniatuur-autootjes. Honderden? Een paar duizend? Een aantal ervan is door hemzelf verbouwd en geperfectioneerd. Of er werd van een bepaald merk een brandweerwagen gemaakt die nog aan de collectie ontbrak.

In de huiskamer, in een aparte vitrine staat de collectie Bugatti's opgesteld, in de hal moet nog een historische tandem vermeld worden.

Op zijn tafel ligt toevallig een 78-toerenplaat die hij op zijn zeventiende jaar cadeau kreeg. Body and Soul van Louis Armstrong. Meer gegevens waren er niet. Onderzoek leverde op dat de plaat op 7 oktober 1930 werd gemaakt en dat de bezetting behalve uit Louis Armstrong uit nog elf muzikanten bestond met aan de drums niemand minder dan Lionel Hampton: “Ik vind het ontzettend leuk om die dingen te weten.”