Frits Castricum overweegt vertrek; 'Europarlement kan kleiner'

Het Europarlement treft veel blaam, maar ook de regeringen in de Unie zijn verantwoordelijk voor het slechte functioneren ervan, aldus de PvdA-politicus.

BRUSSEL, 27 FEBR. De Nederlandse Europarlementariër Frits Castricum (PvdA) overweegt ernstig om volgend jaar ander werk te gaan doen. Hij voelt zich persoonlijk “achtervolgd” door de slechte reputatie van het Europees Parlement. “Ik sluit niet uit dat ik om die reden aftreed,” zegt hij.

Zeventien jaar was de nu vijftigjarige Castricum lid van de Tweede Kamer. Sinds 1994 is hij lid van het Europees Parlement. Dat is “een uit verre streken bij toeval bijeengebrachte groep mensen met uiteenlopende politieke tradities” die trekkend tussen Brussel, Straatsburg en hun woonplaatsen “er het beste van proberen te maken”. Maar het is ook een instelling die volgens Castricum “veel blaam” treft. “Er zijn zaken misgegaan die eigenlijk niet hadden mogen gebeuren”, zegt hij. Daarvoor dragen in zijn ogen behalve het Europees Parlement ook de regeringen van de vijftien lidstaten van de Europese Unie verantwoordelijkheid.

Hij noemt als voorbeeld voordelige kostenregelingen die Europarlementariërs voor zichzelf hebben bedacht. Die zouden zo van de baan zijn als de regeringsleiders van de EU bereid zouden zijn om eenzelfde financieel statuut vast te stellen voor alle Europarlementariërs. Nu nog hebben parlementsleden uit verschillende lidstaten uiteenlopende financiële posities. Ze verdienen evenveel als nationale parlementariërs, waardoor bijvoorbeeld Portugezen een lager inkomen hebben dan Duitsers. De regeringsleiders hebben niet willen riskeren Europarlementariërs een betere positie te geven dan nationale parlementariërs van sommige landen. “Alleen door middel van een statuut kan er een einde komen aan de tot het Europees Parlement gerichte beschuldigende vinger dat het daar een rotzooi is.”

Er is ook de kwestie van de kostbare nieuwe gebouwen van het Europees Parlement in Brussel. Bij de strijd over de vestigingsplaats voor het Europees Parlement tussen Straatsburg en Brussel, bood de Belgische regering gratis bouwrijp gemaakte grond aan. Het gebouw werd neergezet door een projectontwikkelaar met nauwe politieke banden. “Het staat als een paal boven water”, zegt Castricum, “dat je de vingers van je hand moet natellen als je zulke dingen doet.” Volgens hem had het Europees Parlement meer afstand moeten houden van de Belgische politieke en financiële belangen. Tegelijkertijd verwijt hij de EU-regeringsleiders dat zij nooit tussen Brussel en Straatsburg als vestigingsplaats voor het parlement hebben gekozen.

Castricum is er van overtuigd dat het Europees Parlement met 626 leden veel te groot is. Volgens het Verdrag van Amsterdam mag het Parlement na toetreding van nieuwe landen tot de EU uitgroeien tot zevenhonderd leden. Om “een redelijk geolied bedrijf” te worden, zou het Europees Parlement volgens Castricum echter teruggebracht moeten worden zo'n drie- à vijfhonderd leden.

Bij besluiten over huishoudelijke zaken - zoals pensioenen en gebouwen - blijkt in zijn ogen dat het Parlement “geen coherent gezelschap” is. Hij meent dat over zaken als de financiële vergoedingen voor parlementariërs grote verschillen van mening bestaan tussen volksvertegenwoordigers uit zuidelijke en sommige noordelijke lidstaten van de EU.

Het heeft indruk op de Nederlandse socialist gemaakt hoe het Europees Parlement op de Europese besluitvorming invloed weet uit te oefenen. Maar als Europarlementariërs zich gaan bemoeien met terreinen waarover ze geen zeggenschap hebben, gebeurt er volgens hem ook “echte onzin”. Hij noemt als voorbeeld het aannemen van resoluties over de mensenrechten in China, wat als enige resultaat heeft dat de gesprekken van een naar Peking reizende delegatie bij voorbaat mislukt zijn. Hij kritiseert de neiging van collega's om zich met “het grote buitenland” te bemoeien, hoewel hun invloed op het beleid zeer beperkt is. Aan de andere kant meent hij wel dat een debat in het Europees Parlement over een kwestie als Irak zinvol is als hierover internationale publiciteit komt.

“Ergerlijk” vindt Castricum de neiging van Europarlementariërs om aandacht te trekken met vragen over willekeurige zaken die in het nieuws zijn. “Het Europees Parlement heeft de bevoegdheid over alles in de wereld een opvatting te hebben. Maar het moet daarbij wel buitengewoon zorgvuldig en selectief zijn. Het heeft geen zin om alleen maar een steen in een vijver te gooien.”