Een monument van minzaamheid; Joseph Brodsky over literatuur en ballingschap

Solomon Volkov: Conversations with Joseph Brodsky. A Poet's Journey through the Twentieth Century. Uit het Russisch vertaald door Marian Schwartz. The Free Press, 306 blz. ƒ 63,75

Toen Joseph Brodsky in 1972 binnen enkele dagen de Sovjet-Unie werd uitgezet - men had genoeg van de ongezeglijke dichter en gaf hem te verstaan dat er, als hij niet terstond 'naar Israel' vertrok, hele nare dingen zouden gebeuren - moest hij vanuit zijn woonplaats Leningrad naar Moskou om het visum voor Israel op te halen. Daarmee kon hij dan, zoals de meeste Sovjet-burgers die dat deden, via Wenen naar de Verenigde Staten afreizen. De mondjesmaat toegelaten emigratie naar Israel was een vergaarbak voor allerlei intenties: authentiek verlangen naar Israel voor sommigen, een mogelijkheid aan de Sovjet-Unie te ontkomen voor de meesten, en voor de autoriteiten dus een excuus om lastige burgers hun land uit te zetten.

Dit alles laat zich nog wel uitleggen, hoewel het misschien, nog geen tien jaar nadat het Sovjet-systeem waarin dit soort zeer complexe verhoudingen bestonden, al een beetje onwaarschijnlijk klinkt. De in 1996 overleden Joseph Brodsky zegt in deze razend interessante gesprekken met de journalist-schrijver Solomon Volkov ergens dat naar zijn smaak Russische schrijvers van deze eeuw het nadeel hebben dat niemand zich over pakweg een eeuw zal kunnen verplaatsen in de Sovjet-samenleving die zij beschrijven. De Russische samenleving van Tsjechov of Dostojevski laat zich nog steeds begrijpen, zegt Brodsky. Van de Sovjet-samenleving weet hij dat nog niet zo zeker. Gelukkig is hij geen romanschrijver.

Proef op de som: Brodsky vertelt hoe hij in 1972, in Moskou om zijn visum op te halen en het vliegtuig naar Wenen te nemen, wordt opgebeld door de dichter Jevgeni Jevtoesjenko (nog in leven). Jevtoesjenko was, tot aan het bittere einde van het Sovjet-systeem, een soort dissident van dienst, nooit te beroerd om te poseren als een kritisch man, bezig met de oprichting van literaire tijdschriften die de drukker nooit zouden halen. Aan de andere kant verrichtte hij poëtische, en naar gevreesd moet worden ook andere, hand- en spandiensten aan de overheid. Wat het eerste betreft kan ik de bundel Mamma en de neutronenbom als specimen nog steeds van harte aanbevelen: je kunt er feilloos uit lezen hoe een talentvolle jonge dichter - Jevtoesjenko was een van de poëtische ontdekkingen van de culturele 'Dooi' rond 1960 - zich tot een politieke hoer had ontwikkeld.

Deze Jevtoesjenko nu vertelt de emigrant Brodsky in Moskou, dat hij er bij een zeer hooggeplaatst persoon voor heeft gepleit dat Brodsky de gebruikelijke moeilijkheden bij emigratie naar Israel (maandenlang wachten op vergunning, agressie op straat door onbekenden, enz.) bespaard zouden blijven. Hij had dit, naar eigen zeggen, voorgesteld tijdens een gesprek dat in eerste instantie ging over de inbeslagneming van zijn eigen bagage op het vliegveld van Moskou, na terugkeer van een poëtische tournee door de Verenigde Staten. Zó gaat de Sovjet-Unie nu met zijn dichters om, zou Jevtoesjenko volgens hemzelf hebben gezegd, en hij zou daarbij ook nog gewezen hebben op die arme Brodsky - in en uit de cel, de rechtbank, de gevangenis en de verbanning.

De hoge ome - volgens de regels van het byzantinisme wilde Jevtoesjenko niet zeggen wie het was, maar Brodsky vermoedt Joeri Andropov, hoofd van de staatsveiligheidsdienst KGB - had daarop gezegd: onzin, die Brodsky gaat naar Israel emigreren. Waarop Jevtoesjenko dus een goed woordje voor hem zou hebben gedaan.

Conversations with Joseph Brodsky is een buitengewoon onderhoudende bundel gesprekken over literatuur, Brodsky's eigen leven en meer in het algemeen een gezellig onderonsje tussen twee heren, maar niet echt rijk aan onthullingen of leuke roddels. De anecdote over Jevtoesjenko, die Brodsky zegt hier voor het eerst te vertellen, is hierop echter een uitzondering.

En we zullen zien of iemand hem over honderd jaar nog zal begrijpen: want verre van in warme gevoelens te ontsteken voor Jevtoesjenko, wiens tussenkomst hem vele onaangenaamheden kon besparen, verliet Brodsky de woning van zijn collegadichter in de overtuiging dat Jevtoesjenko vermoedelijk het initiatief had genomen tot zijn verbanning. Daarin wordt hij even later gestijfd als hij in Moskou 'toevallig' de mindere Sovjet-dichter Jevgeni Vinokoerov tegen het lijf loopt, die ook al blijkt te weten dat Brodsky gaat emigreren en hem aanraadt, in de VS vooral de groeten te doen aan een oude kennis van hem. Niet alleen, concludeert Brodsky, mieteren de KGB en de Sovjet-schrijversbond hem het land uit, maar ze willen hem in de VS ook nog eens een KGB-contact op zijn dak sturen.

De krochten van een politiestaat zijn zonder weerga, en de intriges en achterdocht die erbij horen navenant - misschien moeten we maar hopen dat over honderd jaar niemand zich nog daarin kan verplaatsen. Maar ook dan, hoop ik, zal nog opvallen hoe vrij en zonder aantoonbare rancune Brodsky in deze bundel - de meeste gesprekken verschenen eerder in Russische culturele tijdschriften - weet te vertellen over zijn leven, zijn werk en ook andermans werk. Er zijn essays in gespreksvorm in het boek over onder andere Robert Frost, W.H. Auden, Marina Tsvetajeva en natuurlijk Anna Achmatova - naast vele anderen die meer terloops worden geschoren.

Brodsky heeft in essays van zijn hand - verzameld in de bundel Less than one - al veel en smakelijk verteld over zijn leven, onder andere over zijn vroegste jeugd in een door meerdere gezinnen bewoond Leningrads appartement waarin hij voor zichzelf een eigen wereldje ('Anderhalve meter') had afgeschut. Deze jeugdherinneringen worden hier niet overgedaan, maar er zijn wel soortgelijke, tot vertedering stemmende schilderingen.

Zoals over de dorpelingen in het Hoge Noorden van de Sovjet-Unie, onder wie Brodsky enkele jaren in verbanning leefde, en wier gedepriveerd bestaan zo weinig verschilde van iemand die in hun midden voor straf was geplaatst, dat de maatschappelijke integratie van Brodsky in het dorp geen problemen opleverde. Het was ook usance dat de twee KGB-functionarissen die Brodsky af en toe kwamen inspecteren, werden onthaald zoals andere gasten: met een flesje minderwaardige vodka.

Ook Brodsky's latere herinneringen over het leven in de Verenigde Staten zijn opvallend gespeend van de kwaadaardigheid die veel Russisch emigrantenleven kenmerkt. Voor het eerst - voor zover ik weet - wordt hier uitvoerig uit de doeken gedaan welke bemiddelende rol Brodsky heeft gespeeld bij het overlopen van de danser Aleksandr Godoenov, die in 1979 tijdens een tournee van het Bolsjoi-ballet besloot in de Verenigde Staten te blijven, en vergeefs probeerde zijn vrouw uit het vliegtuig naar Moskou te praten, dat al voor vertrek gereed stond.

Een omissie in dit boek is het ontbreken van onthullingen over Brodsky als rokkenjager - een hoedanigheid waarin de dichter, naar Volkov verzekert en ook uit andere bron bekend is, grote hoogten heeft bereikt. De dichter heeft hierover vermoedelijk bewust gezwegen: vervlogen liefde leidt maar al te gauw tot bitterheid, en afgezien van zijn onthullinkje over Jevtoesjenko lijkt de oude Brodsky elke afrekening met het verleden uit de weg te zijn gegaan. Conversations with Brodsky is zo een monument van minzaamheid geworden, en daarmee ook van vrijheid.