De rode lippen van Francesca Vongole

AMSTERDAM/NEW YORK Niemand had iets te vragen. Meer dan honderd journalisten hadden zich verzameld in een zaaltje in het Okura Hotel in Amsterdam en toen de directeur van de CPNB aan het eind van de persconferentie vroeg, 'zijn er nog vragen'? viel er een lange en naar mijn smaak pijnlijke stilte.

Ik keek om me heen.

Men staarde voor zich uit of tuurde naar een notitieblokje. Maar geen vragen.

Het was mijn eerste - en waarschijnlijk laatste - persconferentie - en ik had me voorbereid te antwoorden: “ik heb geen seksuele relatie gehad met die vrouw”. De zin die alle persconferenties overbodig maakt, of tenminste in een ander daglicht stelt.

Maar niemand was geïnteresseerd in mijn seksleven, noch in dat van Geert Mak, de schrijver van het boekenweekessay, of de directeur van de CPNB. Waarin men wel was geïnteresseerd weet ik niet, waarschijnlijk het buffet op de bovenste verdieping.

Tijdens het buffet beantwoordde ik ongeveer vijfendertig keer de vraag of er verband bestond tussen het thema van de boekenweek en mijn geschenk. Tijdens een van de interviews hoorde ik een ober naast mij zeggen: “ik heb u al drie keer gezegd dat er geen leverworst is”. De journalist in kwestie had zijn zinnen op leverworst gezet en was maar moeilijk tot bedaren te brengen. Wellicht een idee in de toekomst op persconferenties ook leverworst te presenteren.

De dag daarop figureerde ik in een film waarvoor ik het script had geschreven. Ik moest een jongeman (Mario) in een kopieerwinkel spelen en mijn tekst was kort maar krachtig, 'tien gulden negenennegentig'.

Tussen de opnames door voerde ik wat gesprekken met de hoofdrolspeelster, waarin zij mij uitdrukkelijk verzocht haar buiten mijn geschriften te houden. Een wens waaraan ik bij deze officieel gehoor geef. Het is graag of niet.

Van de zomer werd ik benaderd door ene Pablo van Dijk, of ik iets had voor een bibliofiele uitgave. Zijn uitgeverij heette Kunst Editions New York, een naam die mij zo dubieus in de oren klonk dat ik er wel vertrouwen in had.

Ik gaf hem zeven brieven die ik aan Francesca Vongole had geschreven. Ze heet natuurlijk niet echt Vongole, maar ik neem graag mensen in bescherming.

Het minste wat ik kon doen, leek mij, was de hele familie Vongole uitnodigen voor de presentatie.

Vijf dagen van tevoren belde de moeder van Vongole mij op. “Wat zou jij ervan vinden als ik een boek zou maken met als titel Arnon Schelpdier?” vroeg ze.

Ik moest hier even over nadenken, maar toen kon ik antwoorden: “Ik zou dat heel fijn vinden, werkelijk heel fijn. En denk er eens over hoe Francesca Risotto had geklonken, om nog maar te zwijgen van Francesca Bolognese of Francesca Sambucca. Nee, Francesca Vongole is een feest voor het gehoor.”

“Kunnen wij komen of moeten wij ons schamen?”

“Luister”, zei ik, “de enige die zich hoeft te schamen ben ik. Maar voor iemand die tot de conclusie is gekomen dat zelfs ademen een beschamende bezigheid is komt het niet aan op een litertje schaamte meer of minder. Je moet een beetje theater van het leven maken anders begint het maar op de waarheid te lijken.”

De waarheid bestaat, daarover kan geen twijfel bestaan. Maar of de waarheid ons veel te bieden heeft, daarover kan wel twijfel bestaan. Ik ben ook niet een van die artiesten die op zoek zijn naar de waarheid in hun werk en het leven. Integendeel, ik doe alles om eraan te ontkomen. In de waarheid sterven, dat is tot daar aan toe, maar in de waarheid leven, nee bedankt.

Ze kwamen allemaal, een stuk of acht Italianen die ik maanden niet had gezien. Francesca Vongole zelf was ik een paar dagen tevoren toevallig op straat tegengekomen, toen ik uit een taxi stapte. Een gebeurtenis waaraan ik geen enkele betekenis toeken, hooguit dat God net zo houdt van spelletjes als ik. Na afloop van de presentatie haalde Vongoles moeder lippenstift uit de zak van haar mantel, en stiftte de lippen van haar dochter. Vervolgens haalde ze een flaconnetje uit haar tas en besprenkelde de hals van haar dochter met een ongetwijfeld dubieus parfum. Toen deed zij haar mantel uit, deed haar dochter haar afgedragen sportjack uit, en sloeg haar eigen mantel om de schouders van haar dochter.

Daarna kuste zij haar dochter drie keer.

Dit alles in voorbereiding van een drankje dat ik met haar dochter zou drinken en waarvan menselijkerwijs niet verwacht kon worden dat de consequenties ver zouden reiken.

Het was een beeld waarop ik nog wel enige tijd zou kunnen teren: een moeder die de lippen van haar dochter rood verft, ter voorbereiding van, ja van wat eigenlijk?

Het deed me denken aan een offer. Ik herinnerde me een verhaal uit de bijbel over een veldheer die zweert dat hij, als hij de oorlog wint, het eerste dat hem tegemoet komt zal offeren. Hij wint de oorlog en het eerste wat hem tegemoet komt is zijn dochter.

Ik begreep dat in het geval Vongole niet meer één of twee mensen gered moesten worden, maar een hele familie die zich hoogstwaarschijnlijk uitstrekte van het zuidelijkste puntje van Argentinië tot het noordelijkste puntje van Noorwegen. Later in de limousine - want met Vongole kan je natuurlijk niet in een gele taxi door New York rijden - zei ze: “Mijn therapeut heeft me afgeraden jou te zien. Ze zei dat jij een van die mensen was die een manier had gevonden om met zijn eigen gestoordheid te leven, maar dat dat nog absoluut niet betekende dat ook anderen met die gestoordheid kunnen leven.” “Een wijze man”, zei ik. “Zijn woord zou op velerlei manieren verspreid moeten worden.”

“Een vrouw”, antwoordde ze, toen sloeg ze met haar vuist op de leren bekleding, en zei: “En nu zou ik toch eens jouw appartement willen zien.”

In haar ogen zag ik de marteling van een heel leven. “Vrouwen manipuleren mannen meestal door seks te weigeren, maar ik ben net zo slim als vrouwen, en mijn therapeut kan dat inmiddels ook schriftelijk bevestigen”, verklaarde ik. Op haar lippen zat zo'n blaasje dat je soms krijgt als je koorts hebt gehad. Ik probeerde me op dat blaasje te concentreren.

“Dat jouw moeder, Francesca Vongole, jouw lippen rood stiftte, dat moeten we onthouden, als we oud zijn, een hernia hebben en een geslachtsziekte die nu nog helemaal niet bestaat.”

“Begrijp je nu”, zei Vongole, “wat voor iemand mijn moedertje is?”

“Oh zeker, moeders die de lippen van hun dochter rood verven en hun halsjes besprenkelen met vreemde parfummetjes, dat zijn de moeders die we nodig hebben, dat zijn de moeders die bereid zijn voor het geluk van hun kinderen te sterven, die bereid zijn hun kinderen te vermoorden voor het geluk van hun kinderen.”

Toen waren we bij haar huis en namen we afscheid.

De ochtend daarop zag ik mijn vriend Gérard op een stoel voor zijn zaak zitten. Hij had een stuk brood belegd met uien, de kruimels lagen op zijn broek.

“Stom ben ik geweest”, zei hij toen hij mij zag, “stom. Als je oud bent herinner je je alleen nog degenen met wie je wat hebt gehad, en met wie heb ik wat gehad?”

Toen brak hij nog een stuk brood af, verzonken in herinneringen die hij was misgelopen.

Op mijn verjaardag vloog ik anderhalf uur in mijn eentje in een helikopter boven Manhattan, om mij even de koning te voelen, of op zijn minst de koning van een kleine maar gevreesde misdaadorganisatie.

Ja, ik wil leven als een koning, maar wel eentje die vier Roemenen in dienst heeft die geen 'a' van een 'b' kunnen onderscheiden en zich maar een keer in de twee maanden wassen. En die zich 'mijn managers' noemen. En die op feestdagen in oude auto's die het milieu ernstig verpesten door de stad rijden. En slechts af en toe stoppen om wat geld in eenarmige bandieten te gooien. Als mensen dan wat vragen, zeggen ze: “Nee, wij gokken namens de koning die nu voor de open haard een appeltje zit te poffen, samen met een jong leuk vrouwtje dat haar haren vanochtend heeft gewassen en in haar ogen de marteling van een heel leven met zich meedraagt.”

Over veel kan je van mening verschillen, over veel kan je discussiëren tot diep in de ochtend, maar één ding staat vast. Nog nooit in mijn leven ben ik een leuk jong vrouwtje tegengekomen dat in haar ogen niet de marteling van een heel leven met zich meedroeg. En dat niet voortdurend onverstaanbare gebeden leek te prevelen.

Zoals wij allemaal eigenlijk.