De kaste der onaanraakbaren; Jan Wolkers over de eenzaamheid van de landschapsschilder

Panorama Nederland is het thema van de boekenweek dit jaar. Schrijver en schilder Jan Wolkers over het landschap in de Nederlandse schilderkunst. “Gezicht op de Oetewalerweg is een wonder van eenvoud en originaliteit. Het gebladerte aan de bomen is nog steeds vochtig en zal dat blijven. Tot in lengte van dagen.”

Geen sterveling is zo eenzaam als de landschapschilder. Ik heb dit zelf in mijn jonge jaren aan den lijve van toekomstige collega's ervaren, lang voordat ik zelf met een schetsboek de natuur in trok. Vanaf mijn achtste jaar sloop ik dikwijls, letterlijk voor dag en dauw, het huis uit en omdat de omgeving van mijn geboortedorp nogal rijk was aan machtige eiken- en beukenbossen, grienden en weligbegraste weilanden, trof ik er vaak een schilder achter zijn veldezel aan die verzonken in de optrekkende ochtendmist aan het werk was. Ondanks mijn fascinatie, die beslist op aanbidding moet hebben geleken zoals we die van schenkers op altaarstukken kennen, heb ik nooit de moed gehad om ook maar iets te zeggen. Het was of ze een hoge rug opzetten, als een dier dat belaagd wordt, om je het uitzicht op hun werk te beletten. En dat niet uit onzekerheid of overgevoelige bescheidenheid. Nee, het was verholen agressie. Ze wilden niets, maar dan ook niets met die smet van menselijk leven achter hun rug van doen hebben. Er hing een sfeer van diepe vijandigheid om hen heen. Het gaf je het gevoel dat je getuige was van een handeling die in volstrekte eenzaamheid behoorde plaats te vinden, zoals in je neus peuteren of je achterwerk afvegen. En je had de moed niet om langs de wrokkige kunstenaar verder te lopen, het werkte sterker dan de bordjes met Verboden Toegang volgens artikel 461 van het wetboek van strafrecht die je in die tijd nog allerwegen aantrof. Je wist zeker dat, als je in zijn uitzicht zou verschijnen, hij je met een paar streken weg zou schilderen.

Dit zijn gevoelens die ik me pas later bewust werd, toen ikzelf eropuit trok om de eenzaamheid met krijt of houtskool te veroveren. Op zekere mooie herfstdag was ik in de Leidse Hout aan het tekenen toen professor Huizinga die daar in de buurt woonde, afwezig door mijn uitzicht kwam aankuieren over het sintelpad alsof hij de weg der geesten ging. Toen hij mij zag, liep hij naar mij toe, bleef enige tijd staan kijken en toen voelde ik ineens de grote Groningse hand van de geleerde op mijn schouder neerdalen en hij sprak, alsof het een klaroenstoot was, 'Jij zult nog van je doen spreken!' Daarna liep hij zonder verder commentaar door alsof hij voelde dat hij dat vijandige isolement niet door een praatje moest verstoren. Want ondanks die vererende mededeling voelde ik me niet prettig. Het was net alsof er een kink in de kabel van mijn eenzame bezigheid was gekomen. Misschien besefte hij ook wel dat landschapschilders tot de kaste der onaanraakbaren behoren.

Genreschilders, schilders van portretten, van bijbelse of mythologische voorstellingen kennen die eenzaamheid niet. Mensenschuwheid zou een barrière zijn voor hun scheppingsdrift. Uit hoofde van hun specialisatie moeten zij zich omringen met modellen. Het is een komen en gaan van melkmeisjes, vrolijke drinkers, schutters, vedelaars, parelweegsters en pittoreske zwervers. Geen moment van rust. Of de timmerman van het dorp komt langs met een eikenhouten spantbalk om voor een Christus die op weg naar Golgotha onder het kruis bezwijkt te poseren of de blozende dochter van de bakker onthult haar blazen van satijn om als Venus gekonterfeit te worden. En soms lijkt de schilder wel op een filmregisseur op de set als bijvoorbeeld zijn huishouden verbeeld moet worden. Dan moet moeder de vrouw, die nooit iets sterkers drinkt dan karnemelk, met een kruik in de hand laveloos achterover in een zetel liggen lellebellen met opgeschorte rok (Neel waar er 't vel niet voor ik zag uw blote knie!), terwijl een hongerige baby uit de slonzig ontblote borst eerder Bailey's Original Irish Cream dan zog te voorschijn zal sabbelen, naar de drankzucht te oordelen, en terwijl de vieze stoutigheden van een dementerende grijsaard in de schemervolle achtergrond te raden blijven. Gustave Courbet maakt het wel het bontst van allemaal. Op het schilderij Interieur van mijn Atelier hanteert hij demonstratief het penseel terwijl een naaktmodel en een jongetje bewonderend toekijken hoe de kunstenaar met vaardigheid enige toetsen aanbrengt. Ter rechter- en ter linkerzijde van het doek is de ruimte gevuld met personages uit heden en verleden van de schilder. Het delibererend gezelschap schijnt hem allerminst te deren. De stank van overjassen wedijvert met de geur van verf. We zijn hier wel heel ver verwijderd van de afzondering die voor de landschapschilder essentieel is, en voor wie de uitspraak van Cyril Connolly van levensbelang is, Human beings are intended to be free, and to be free is to be lonely.

Verblindende sneeuwjacht

Hercules Seghers (1589-1638) is de kunstenaar die in zijn etsen de eenzaamheid van de landschapschilder het indrukwekkendst vorm heeft gegeven. Zijn rotslandschappen zijn van een verstikkende verlatenheid. Ontoegankelijk als een basaltblok. De bomen die er eens gegroeid hebben, zijn afgeknapt tot vijandige staken. Als er al ooit een levend wezen tot die wereld is doorgedrongen, is het versteend tot een monoliet. Zelfs een waterval verkrampt tot gestolde lava. De wolken wekken de indruk alsof ze kiezel en steengruis zullen regenen. Onder zijn handen worden landschappen tot tekens in de rotswand. Hij heeft een schedel geëtst, een gruwelijk ding, een vlechtwerk van gruis, waarin het denken voor eeuwig versteend is. De eenzaamheid van de dood die in je voortgeplant wordt als je het aanschouwt. Het is een landschap waar je in verglijdt, dat voor eeuwig braak zal blijven liggen tot het versleten is door het niets dat wij stervelingen tijd noemen.

Het heeft lang geduurd voordat de landschapschilderkunst als autonoom genre kon ontstaan. Je krijgt de indruk dat de mensheid eerst onder de pannen moest zijn van een droge en warme huisvesting die hem tegen het woeden der elementen beschermde, voordat hij een aangename rilling kon krijgen bij het aanschouwen van een verwoestend onweer, een verblindende sneeuwjacht of ijs dat heen geworpen wordt als stukken, veilig gekadreerd in een mahoniehouten of vergulde lijst. Er is geen groter genot denkbaar dan met de gloed van een open-haardvuur in de rug en een koel glas rijnwijn in de hand een onherbergzame gletsjerpartij te bewonderen waarin je, ware je in levenden lijve op die ijsvlakte aanwezig, binnen een etmaal ten onder zou gaan. Het is onvoorstelbaar dat de mens uit het paleolithicum tussen de afbeeldingen van bizons en herten op de rotswanden van de grotten te Altamira en Lascaux even een landschap zou tekenen zoals we dat uit schetsboeken van Jan van Goyen kennen. Als je aan de Venus van Willendorf behoefte hebt, komt een gewassen tekening in sepia van een landschap van Claude Lorrain te vroeg. Je hebt nog niet eens de neiging om je bij thuiskomst van het bloed van de mammoetslacht te reinigen. Je zal toch eerst de lorgnet en de crapaud uit moeten vinden.

In de vroege pottenbakkerskunst van de Grieken ontstaat al wel iets landschappelijks als een vegetatie, maar als men Herakles die de Nemesische leeuw wurgt of Dionysus in een boot zou verwijderen onder de druivenranken, blijft er weinig over om in te verwijlen. In de Romeinse tijd begint er iets te dagen dat de rechtgeaarde landschapschilder in vervoering kan brengen, juist omdat het zo mondjesmaat is. Een muurschildering van een tuin uit Livia's villa in Primaporta. Een wand van groeikracht zonder dat er iemand voor gaat staan die belangrijk moet wezen.

In de christelijke schilderkunst ontstaan er van lieverlede op de achtergrond van kruisigingen en kruisafnames, wonderbare visvangsten en jongelieden die als gewillige schietschijf voor een boogschutter dienst lijken te doen, landschappen vol vredige coniferen en etherische blauwe verten waar het goed bijkomen moet zijn van de meestal gruwelijke voorstelling op de voorgrond. Eindelijk een stukje lieflijke natuur, al is het dan na gedane arbeid van het uittarnen der darmen of het roosteren van andersdenkenden. Wanneer zullen we eindelijk verlost zijn van het genus mens verzucht de oprechte natuurliefhebber. Breughel neemt het voortouw. Hij gaat op den duur zelfs zo ver bij De Val van Icarus, dat hij van de drie aanwezige figuren er nog één half weet te verdoezelen in de golven van een baai, zodat we met tweeënenhalf personage blijven zitten, als te verwaarlozen stoffering van een magnifiek landschap.

In de zeventiende eeuw krijgen we in de noordelijke Nederlanden de triomf van de landschapschilderkunst met schilders als Jan van Goyen, die als er al menselijk leven in zijn vergezichten krioelt, ze uit dezelfde grijsbruine verf kneedt als riet, struiken en bomen. Als schimmige veenpoppen laat hij ze uit de drassige grond omhoogkomen. En Jacob van Ruysdael, met een onvergetelijk vergezicht op Haarlem, die het ook het liefst zo stil mogelijk houdt en de personages op zijn schilderijen liever ziet gaan dan komen. En het blijft niet alleen bij land. Ook de wolken worden verf en drijven verder.

Er waren in die tijd landschapschilders die collega's de figuren lieten schilderen in hun bosgezichten en duinpartijen. En dat allerminst omdat hun kunde tekortschoot. Als je een kronkelende eik kan schilderen dan is een onder een takkenbos gekromd agrarisch heksje met een geit kinderwerk. En als hun bentgenoten vroegen waar die figuren, die meestal door de opdrachtgevers gewenst waren, moesten komen op het vooralsnog van God en mensen verlaten kunstwerk, dan wendden ze zich in afgrijzen af. Zie maar! Ik was mijn handen in onschuld in de klaterende beek die ik vrij had willen houden van de roze nimf die haar kont vrijpostig in het bruisende water koelt.

Geparfumeerde lieflijkheid

In de achttiende eeuw wordt er wel veel landschap geschilderd, maar het zijn doorgaans arcadische landschappen waar een fikse hagelbui zich verre van houdt. Het lijkt wel of de schilders doodsbang zijn voor een ruige zomp vol krabbenscheer en pijlkruid die in simpele schoonheid ten onder gaat en tot turfblubber verrot. Of een door de wind gezweepte rietkraag waar de golfjes kwaadaardig tegenaan klotsen ze de stuipen op het lijf jaagt. In plaats van zilverige wilgen worden we getrakteerd op blauwgroene cipressen, in plaats van de gebruikelijke houthakkers en landbouwers verschijnen er dartele dames in luchtige floddergewaden die de vruchtbaarheidsgod Priapus aan het verwennen zijn met offeranden van bloemfestoenen terwijl je zo al ziet dat het kirrende gezelschap van de eerste de beste forse erectie een baarmoederverzakking zou krijgen. En ook het vee dat zo hier en daar op z'n middellandsezeeherders decoratief mag staan wezen lijkt eerder verfijnde flikken te herkauwen dan ordinair gras. Pittoresk gemanipuleerde runderen die te romantisch zijn om melk af te scheiden of boe of ba te kunnen uitstoten. Je krijgt sterk de indruk dat de schilders uit die tijd in te luxueuze fluwelen broeken achter hun atelierezel stonden, zodat hun kloten in een verwend nest van warm donzig pluis kwamen te liggen waardoor iedere struise schildersdrift in de kiem gesmoord werd. Faire une peinture c'est faire l'amour, ook al leef je in een tijd van satijnen weelde, zoals Fragonard en Watteau met verve laten zien. Soms zitten de figuren zo onatmosferisch kleurig in de kleren dat het lijkt of ze twee eeuwen te vroeg in pitbullsmoking eropuit getrokken zijn. Het is een verweving van vraag en aanbod die de schilders ertoe bracht de werkelijkheid zo met de nek aan te kijken. Hun opdrachtgevers leefden tussen muren van behangselschilderkunst vol arcadische en mythologische taferelen die ze het uitzicht op de buitenwereld ontnamen. Als je je dagelijks bevindt voor een antieke bouwval gestoffeerd met rustieke zuilen en pinakels waartussen Niobe de vrouwen van Thebe bespot, is het wel even schrikken als je je heerlijkheid verlaat en schaamteloos geconfronteerd wordt met een sloot vol snaterende eenden en kwakende kikkers.

Toch was het niet allemaal roze atmosfeer en geparfumeerde lieflijkheid in het achttiende-eeuwse landschap in Nederland. We hadden wel geen genie als Claude Lorrain die het landschap kon laten deinen en schateren met rake en uitbundige penseelstreken in sepia, maar er zijn in die bepruikte met poederwolken doordrenkte epoque aquarellen en tekeningen gemaakt waar de friste van de natuur afkomt, die hoogtepunten zijn in de verbeelding van het landschap. Vooral de bosgezichten van Paulus van Liender zijn van een kracht die een heel tijdperk vleugels geven.

Omstreeks 1800 herneemt de Nederlandse landschapschilderkunst zijn plaats in de voorste gelederen. Een nieuwe eeuw en een nieuw geluid! En het is meteen raak. In de tijd dat Lodewijk Napoleon koning van Holland was en de Franse schilderkunst was ondergedompeld in een classicisme dat naar de mottenballen rook, schilderde Wouter Johannes van Troostwijk, een kunstenaar die net als zijn literaire tegenhanger John Keats geroken moet hebben naar het landschap, De Bouwhoeve, een gammel boerderijtje, eerder een met riet gedekte hut, tegen een majesteitelijk stuk bos aan de rand van sappige weilanden en een beek. Het ritme van het wit van het wasgoed dat te drogen ligt en hangt tegen het verzadigd groen, vergeet je van je leven niet meer. De aquarel Gezicht op de Oetewalerweg is een wonder van eenvoud en originaliteit. Het ligt zomaar voor het grijpen als je er langskomt. Een strookje lichtgroen, een strookje schaduw op de voorgrond met een hemelweerspiegelende regenplas, een lage horizon die de oneindigheid markeert, verticaal een paar schilferbastige bomen, een stuk of wat bonkige koeien en wegtrekkende dunne grijze wolken die niet wederkomen na de regen. Nog nooit is een regenbui zo op de hielen gezeten door een landschapschilder, dat je vermoedt dat hij het hemelwater heeft kunnen gebruiken om er zijn verf mee te verdunnen. Het gebladerte aan de bomen is nog steeds vochtig en zal dat blijven. Tot in lengte van dagen. Het Raampoortje in de Winter, dat hij schilderde in 1809, waarvan de doordringend natte dooikou je rillen doet alleen al bij de gedachte aan de blaasontsteking die het mansfiguurtje dat naast het poortje in de sneeuw staat te pissen beslist op zal lopen, heeft een verfijnde urinekleurige atmosfeer waarvan het mannetje dat op knappen stond de nietige spil is. Wat een verlies voor onze schilderkunst dat deze sublieme jongeman niet de leeftijd der heel sterken heeft mogen bereiken zoals Frans Hals of Titiaan. Het zelfportret dat hij een jaar voor zijn vroege dood op achtentwintigjarige leeftijd schilderde laat ons een man zien, die net als Carel Fabritius in zijn zelfportret, er ongedateerd uitziet. Een jongen van altijd.

Vader van Barbizon

In 1943, midden in de oorlog, ik was toen zeventien jaar en net begonnen te studeren aan de Leidse Schilder- en Tekenacademie Ars Aemula Naturae, verscheen er een boek met reproducties Schilders van de Veluwezoom van J. Wesselink, waardoor ik het werk van vader en zoon Bilders leerde kennen. Er stonden zinnen in als, 'Het is dit landschap, dat met zijn schoonheid, zijn romantiek, zijn rust en droom met heel zijn ruige pracht van bodem en bosch het Nederlandse Barbizon werd'. Er staan anekdotes in van schilders die op elkaars schilderij een koe in het weiland schilderden of die samen met de koning in de hofkoets, soldatenliederen zingend uit de tijd van de tiendaagse veldtocht, langs de landwegen scheurden terwijl de stofwolken die tussen de wodanseiken bleven hangen voor het nodige romantische waas zorgden. Je bent dan ook geneigd om met Terpen Tijn te zeggen, 'Dat heb ik op het linnen gezet toen de wereld nog jong was. Nu zou ik het anders doen, maar toch... Dat was een tijd van hatsikidee.' Maar als je je realiseert dat de jonge Bilders ruim een halve eeuw na Van Troostwijk geboren is, besef je pas goed hoe ver de schilder van Het Raampoortje zijn tijd vooruit was. Als hij in Frankrijk was geboren, was hij de vader van de schilders van Barbizon geweest.

De landschappen in olieverf uit die tijd hebben in de lommer een te hoog geitenhoedstergehalte, die je met geiten en al, desnoods met de kruiwagen, zou willen verwijderen om een eenzaam stuk natuur te verkrijgen. Soms zou je de schilders wel op hun vingers willen tikken als ze, in een overigens struis geborsteld landschap, een molenaarsdochter of aanverwant feeënkind in willen voeren. Hé, je bent Schubert niet! Het lijkt wel of het linnen ze verleidt. Want een schilder als Barend Cornelis Koekkoek, die geen bosgezicht kan schilderen zonder er een hele veestapel met aanhangend boerenvolk in te likken, is in staat om een tekening van een beek die zich tussen rotsen doorwringt te vervaardigen die de opwindende eenzaamheid laat voor wat het is. Geen spitsmuis roert zijn staart. Hier komt geen sterveling. Dit is terecht verspilde schoonheid die zich alleen aan zichzelf spiegelt. En Johannes Bosboom, die meestentijds sombere kerkinterieurs schildert waar de dreun van het orgel dat de lofzang uit Zion's zalen laat opklinken nog in de gewelven nazindert, blijkt, als hij alleen is in de natuur, een bomengroep in de duinen met wat waterverf tot een onvergetelijk juweel te kunnen maken. En dat verschijnsel zie je de hele eeuw door. Of het nou Jongkind is of Abraham Teerlink, Andreas Schelfhout of Jan Hendrik Weissenbruch, Charles Rochussen of Albertus Brondgeest, als je ze met wat strookjes papier, waterverf en krijt de natuur in stuurt, maken ze de eenvoudigste dingen. De eenzaamheid verdrijft de kunstmatigheid en geeft de poëzie het woord.

Maar het laatste woord is aan Vincent van Gogh. Als hij op het eind van zijn leven alle mensen, dieren en bloemen die hij zo hartstochtelijk heeft liefgehad achter zich laat en een paar landschappen schildert die zo huiveringwekkend eenzaam zijn dat er geen andere uitweg was dan de dood en de eeuwige stilte.