De Amerikanen mogen het steeds weer oplossen

De Verenigde Staten zijn in een lichtelijk bizarre situatie verzeild geraakt. Naar Amerika wordt opgekeken als de enige mogendheid die de orde in de wereld handhaaft, die doorbraken teweegbrengt in anderzins onoplosbare crises en die agressie afstraft wanneer dat wenselijk lijkt.

Tegelijkertijd is op een enkele uitzondering na geen land bereid de Amerikanen voetstoots te volgen wanneer zij de weg menen te moeten wijzen. Nog maar nauwelijks zijn de VS afgehouden van een luchtoorlog tegen Irak, of van verschillende kanten krijgt Washington alweer het dringende advies om nu maar eens haast te maken met 'het vredesproces' - uitvoering van de Oslo-akkoorden over de verhouding tussen Israel en de Palestijnse Autoriteit. De Amerikanen mogen als de motor dienst doen die het voertuig voortbeweegt, naar het stuur grijpen vele handen.

De tweeslachtigheid van de positie waarin de VS verkeren kwam dit weekeinde goed tot uiting in de missie van Kofi Annan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, naar Bagdad. Annan kreeg volop de gelegenheid zijn diplomatieke meesterschap te bewijzen. Zijn boodschap aan Saddam Hussein combineerde de hardheid van de Amerikanen met de soepelheid van Russen en Fransen. Deadlines en tijdslimieten en andere obstakels voor de internationale inspectieteams waren onaanvaardbaar, hield Annan zijn gastheer voor, maar vervolgens deed de secretaris-generaal de toezegging dat als de zoektocht naar Iraks arsenalen van nu af aan niet meer werd gesaboteerd, UNSCOM zijn taak “binnen een redelijke periode” zou voltooien. Aan het eind van die periode wordt onvermijdelijk de kwestie van de opheffing van de VN-sancties tegen Irak actueel - zoals Irak, Frankrijk en Rusland wensen.

Annan opereerde binnen de 'rode lijnen' die minister Albright vlak voor zijn vertrek had getrokken. Maar desondanks scheept zijn succes Washington met een nieuw probleem op. Tegen de achtergrond van de gebleken onmogelijkheid om de persoon van de Iraakse leider van buitenaf uit te schakelen, ontwikkelden de sancties zich tot het enige middel om hem onder de duim te houden. Die sancties waren destijds ingesteld om Irak te dwingen zijn arsenalen te vernietigen, maar gaandeweg hadden zij een nieuwe dimensie gekregen. De Iraakse sabotage van de internationale inspecties veroorzaakte een impasse die wat Washington betreft tot het einde van Saddam Hussein had mogen voortduren. In zekere zin speelden de VS en Saddam elkaar onbedoeld in de kaart.

Als Irak het met Annan gesloten akkoord loyaal uitvoert, vervalt de mogelijkheid de sancties te handhaven totdat Saddam zal zijn verdwenen. Zeker de VS zullen erop toezien dat voor de tijd daarna een vorm van toezicht blijft bestaan - ten minste de kennis om massavernietigingswapens te vervaardigen blijft in Irak voorhanden. Maar een min of meer gerehabiliteerd Irak onder Saddams leiding, een Amerikaans spookbeeld, is met de missie van Annan een reële mogelijkheid geworden. Voor het voorkomen van die mogelijkheid had Washington wel wat over gehad. Maar het heeft het niet aangedurfd tegen de internationale consensus in een poging te ondernemen.

Het verloop van de jongste crisis heeft gevolgen voor het gehele Midden-Oosten. Na de gewonnen Golfoorlog zeven jaar geleden beschikte Amerika over het gezag nieuwe verhoudingen te scheppen. Voor een deel was de alliantie tegen Saddam tot stand gekomen op grond van de verwachting dat de Amerikanen van dit gezag gebruik zouden gaan maken. Het duurde even - ook als gevolg van een regeringswisseling in Washington - maar ten slotte werd een in Oslo tussen Israel en de PLO bereikt beginselakkoord in de tuin van het Witte Huis en in aanwezigheid van president Clinton met de historische handdruk tussen Arafat en Rabin bekrachtigd. De Arabische haat jegens Israel had een alternatief gekregen in de kans op verzoening tussen Israel en de Palestijnen.

Die verzoening is na de eerste veelbelovende stappen intussen weer uit het zicht verdwenen. Palestijns terrorisme en premier Netanyahu's weigering het werk van zijn voorgangers voort te zetten hebben het vredesproces praktisch tot stilstand gebracht.

De afloop van de jongste crisis over Irak lijkt beweging te veroorzaken, maar er is nauwelijks enig perspectief. Netanyahu heeft met weinig historisch gevoel een nieuw Camp David voorgesteld. Dat was de plaats waar met hulp van president Carter (1977-1981) de eerste toenaderingspogingen tussen Israel en de PLO werden ondernomen. Helaas bleven die pogingen later steken in wederzijds wantrouwen.

Belangrijker dan het conferentieoord zijn de uitgangspunten. Arafat houdt vast aan uitvoering van de Oslo-akkoorden, Netanyahu prefereert een nieuw akkoord waarin definitief alle geschilpunten worden opgelost. De fasering in de Oslo-akkoorden die bedoeld was geleidelijk aan vertrouwen te laten groeien dat noodzakelijk werd geacht om hindernissen te overwinnen, is Netanyahu een gruwel. Hij wil een overeenkomst tot stand brengen nu Israels suprematie nog niet in een proces van toenadering is aangetast, een overeenkomst die de Palestijnen vastzet op een afhankelijke positie en die Jeruzalem voor de toekomst veilig stelt, een overeenkomst zonder enige dynamiek en zonder enig zicht op vervulling van het Palestijnse verlangen naar een eigen staat.

De Arabieren hebben Clinton verweten met twee maten te meten. Irak wordt gedwongen de resoluties van de Veiligheidsraad uit te voeren en zijn massavernietigingswapens op te geven. Israel daarentegen legt al sinds 1967 resoluties van de raad die ontruiming van bezet gebied verlangen naast zich neer. Het mag zijn massavernietigingswapens behouden. Op die vergelijking valt wel wat af te dingen, maar in de verhoudingen in het Midden-Oosten doet dat er minder toe. De Arabieren menen over een bruikbaar argument te beschikken en na de missie van Annan en het uitstel of afstel van de luchtoorlog tegen Saddam koesteren zij de overtuiging dat hun argument indruk heeft gemaakt. In ieder geval op Russen, Fransen en de rest van Europa en langs hen ook op de Amerikanen.

Saddam is nu opnieuw een factor in de Palestijns-Israelische kwestie, maar een andere dan na de Golfoorlog. Toen was hij de verliezer. De Amerikanen waren na hun overwinning een geloofwaardig bemiddelaar. De paradox is dat de geloofwaardigheid van de Amerikanen is aangetast, maar dat onverminderd van hen wordt verwacht dat zij voor oplossingen zorgen. Of het nu om de vrede aan de Golf gaat of om de vrede tussen Israel en de Palestijnen. Waarna iedereen die oplossingen weer mag kritiseren.