Biografisch woordenboek der arbeidersbeweging; P.J. MeertensUit liefde voor dwarsliggers

P.J. Meertens (e.a.): Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 7. Onder redactie van P.J. Meertens (†), Mies Campfens, Ger Harmsen, Jannes Houkes, Albert Mellink (†), Bob Reinalda en Johanna M. Welcker. Stichting beheer IISG, 308 blz. ƒ 44,-

'Dankzij haar huwelijk met De Dood kwam zij de oorlog door, in hun huis in de Geulstraat.' Het lijkt literatuur, deze intrigerende zin over overleven dankzij een afspraak met De Dood, maar het is een feitelijke, biografische mededeling. De joodse danseres en choreografe Florrie Rodrigo was sinds 1922 getrouwd met de journalist Cees de Dood en dus volgens Hitlers rassenwetten 'gemengd gehuwd'. Ze overleefde de Tweede Wereldoorlog en bereikte de leeftijd van 103. Ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag in 1983 werd in de Amsterdamse Stadsschouwburg een borstbeeld van haar onthuld.

De geschiedenis van deze self-made danseres uit de Hollandse bohème staat, met ruim zestig andere biografietjes van bekende en minder bekende 'dwarsliggers', in het zevende deel van het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Wat heet 'bekend of minder bekend'? Van Florrie Rodrigo had ik nog nooit gehoord, maar uit de literatuuropgave blijkt dat er enkele tientallen artikelen over haar zijn gepubliceerd en dat K. Schippers een videodocumentaire over haar heeft gemaakt.

De danseres, die eigenlijk Flora Rodrigues heette, maakte het ballet Schepelingen uit verontwaardiging over het bombardement waarmee het kabinet- Colijn in 1933 een einde maakte aan de muiterij op het marineschip de Zeven Provinciën. Een bekkenslag symboliseerde de bom en het stuk werd besloten met een solidariteitsdans van rouwende weduwen van de 23 omgekomen matrozen. Conservatieve critrici als Werumeus Buning van De Telegraaf en H. Scholte van de NRC spraken schande van het ballet en in Amsterdam werd na de première in 1934 de opvoering ervan verboden. De communistische Tribune noemde dit 'een schandelijke daad van cultuurfascisme', maar ondanks deze steunbetuiging keerde Rodrigo de CPN eind jaren dertig, samen met De Dood, de rug toe. 'Recht in de leer zijn bleek op de lange duur niets voor deze dansende vrijdenkster', aldus Isabella Lanz, de auteur van dit lemma.

Jeukende handen

Van Florrie Rodrigo bestaat geen biografie, zoals er ook (nog) geen biografieën bestaan van Theo Thijssen, Gerard van het Reve sr., I.S. Querido, Anton Constandse, Sam de Wolff, Klaas Voskuil en Esther de Boer-van Rijk, ooit beroemde of beruchte Nederlanders wier beknopte levensverhalen bijeen gebracht zijn in het nieuwste deel van het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging. Wie van het biografische genre houdt krijgt jeukende handen bij het aanschouwen van zoveel prachtig materiaal en dat is van meet af aan ook precies de bedoeling van de samenstellers geweest. Sinds in 1986 deel 1 van het Woordenboek het licht zag, is een hele reeks biografieën verschenen van grootheden uit de Nederlandse socialistische- en arbeidersbeweging (van Ferdinand Domela Nieuwenhuis tot Herman Gorter, van Henri Polak tot Herman Heijermans en van Willem Vliegen tot Monne de Miranda). Uit de literatuuropgaven in deze boeken valt op te maken hoe schatplichtig veel biografen zijn aan deze 'who is who' in de Nederlandse arbeidersbeweging. Uiteraard niet voor details over hun eigen onderwerp, maar wel voor gegevens over tijdgenoten die al dan niet onverwacht iemands levenspad blijken te hebben gekruist.

Van meet af aan was het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging 'breed' van opzet. Dat wil zeggen dat er niet alleen linkse (anarchistische, socialistische, communistische of pacifistische) voorlieden in worden beschreven, maar ook zij die in de katholieke of protestantse arbeidersbeweging hun sporen hebben verdiend. Zo opent deel 1 met de christelijke vakbondsbestuurder Herman Amelink (1881-1957) en is het derde lemma van datzelfde deel gewijd aan de priester Alphonse Ariëns (1860-1928) die als grondlegger van de katholieke arbeidersbeweging hier te lande met een beetje goede wil als de Nederlandse Pieter Daens kan worden beschouwd.

Het zevende deel van deze encyclopedie van schilderachtige, tegendraadse figuren werd vorige week aangeboden aan de schrijver J.J. Voskuil. Een dubbelslag: zijn vader Klaas Voskuil, de eerste hoofdredacteur van Het Vrije Volk, komt erin voor, maar bovendien is het Biografisch woordenboek het geesteskind van P.J. Meertens, tegenwoordig bekend als A.P. Beerta uit de romanreeks Het Bureau.

P.J. Meertens (1899-1985) was behalve directeur van het door J.J. Voskuil even hilarisch als vernietigend beschreven Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, ook vice-voorzitter van de Sociaal-Historische Studiekring en redacteur van het Mededelingenblad dat dit genootschap uitgaf. In 1953, ruim dertig jaar voor de verschijning van deel 1, werd hij voorzitter van een redactiecommissie die het woordenboek zou samenstellen. Hij kreeg zo weinig medewerking dat hij al in januari 1957 de vrees uitte de verschijning van het woordenboek - 'ondanks mijn betrekkelijke jeugd' - niet meer te zullen meemaken.

Die vrees werd werkelijkheid: een jaar voor de verschijning van deel 1 stierf hij aan de gevolgen van een beroerte. Desondanks heeft hij zijn bijdrage kunnen leveren. Om dat te onderstrepen wordt Meertens nog altijd, ook in het zevende deel, als redacteur genoemd. Deel 1 opende indertijd met een prachtige necrologie van Meertens door G. Harmsen, die als volgt eindigt: 'Meertens heeft vele biografieën geschreven maar niet van de groten in het rijk van de geest, eerder zijn het juist de bescheiden figuren in het maatschappelijk leven die zijn aandacht kregen. Met grote liefde en precisie heeft hij zich van deze taak gekweten. Van zijn hand verschenen vele korte levensschetsen bij jubilea of overlijden van figuren uit de Nederlandse socialistische beweging in De Vlam en vanaf 1953 met taaie volharding in het Mededelingenblad van de Sociaal-Historische Studiekring, op de wijze zoals hij wilde dat het Biografisch woordenboek er te zijner tijd uit zou zien.'

De cirkel zou, literair-historisch gezien, rond zijn geweest als Meertens het lemma over Klaas Voskuil (1895-1975) had kunnen schrijven. Nu is deze taak in deel 7 uitgevoerd door voormalig Vrije Volk-journalist en oud-burgemeester van Amsterdam Wim Polak. Diens portret van Voskuil senior vertoont treffende overeenkomsten met het beeld dat J.J. Voskuil in zijn romans van zijn vader schetst. En ook - maar dat is misschien interessanter voor de literatuurgeschiedenis dan voor de sociale geschiedenis - valt de gelijkenis op tussen vader en zoon. Als Polak beschrijft hoe onhandig Klaas Voskuil met zijn redacteuren omging ('Slechts zelden verliet de grote baas zijn kamer en als hij over de redactie kwam deed hij schutterig. Het leek wel of hij verlegen was.') zien we als het ware J.J. Voskuils alter ego Maarten Koning met zijn personeel op Het Bureau in de weer.

Zijn belangrijkste betekenis ontleent het Biografisch woordenboek aan het prospografische perspectief: de mogelijkheid om talloze dwarsverbindingen te maken. Omdat de gebiografeerden grosso modo van dezelfde generatie zijn, kun je schitterend vergelijken hoe ze op de gebeurtenissen en trends van hun tijd hebben gereageerd. Van Klaas Voskuil weten we (ook nog eens uit de romans van zijn zoon) dat hij de politionele acties tegen Indonesië met ijzeren vuist verdedigde, ook toen hij daarover zowel binnen als buiten de redactie van Het Vrije Volk (en door zijn eigen zoon) hard werd aangevallen. Wim Polak schrijft nu: 'Pas later begrepen intimi dat Voskuil het zelf met het Indonesië-beleid bijzonder moeilijk heeft gehad'.

Indonesië

Dat moet veel later geweest zijn, in elk geval te laat voor het min of meer in de vergetelheid geraakte Indonesische SDAP- en PvdA Tweede-Kamerlid Nico Palar (1900-1991) en de ook niet meer zo bekende sociaal-democratische journalist Sal Tas (1905-1996). Samen met onder anderen Jacques de Kadt verzette de in het Woordenboek prachtig gebiografeerde Palar zich in 1947 tegen militair ingrijpen in Indonesië, maar toen partijvoorzitter Vorrink dreigde met aftreden van alle PvdA-ministers bond De Kadt in. Palar bedankte daarop voor zijn Kamer- en partijlidmaatschap. Het liep niettemin goed met hem af: in 1948 werd hij benoemd tot gevolmachtigd minister van de Republiek Indonesië en hoofd van de Indonesische delegatie bij de VN.

Sal Tas was heftig tegen de koloniale oorlog in Indonesië omdat hij als student in de jaren twintig bevriend was geraakt met de Indonesische studenten Hatta en Sjahrir, die een aanzienlijke rol gingen spelen in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Sjahrir trok zelfs in bij het echtpaar Tas en werd verliefd op Tas' echtgenote met wie hij later trouwde. Behalve tegenstander van de oorlog in Indonesië was Tas ook een felle anti-communist, een combinatie die niet vaak voorkwam. Na de communistische machtsovername in Praag van 1948 was hij volgens Paul Koedijk, die hem in het Woordenboek biografeert, de drijvende kracht achter het heenzenden van de communistische wethouders in Amsterdam. Tas eindigde als lid van DS'70, een afsplitsing van de PvdA, waarvan zijn vriend F. Goedhart één van de oprichters was.

Van een heel andere orde was de anti-koloniale houding van de Indonesische communist Roestam Effendi (1903-1979) die in in 1933 naast Louis de Visser en David Wijnkoop voor de CPN in de Tweede Kamer kwam. Een procureur-generaal probeerde zijn beëdiging uit te stellen wegens vermeende opruiing tijdens een verkiezingsbijeenkomst. Hij eiste drie maanden gevangenisstraf en onmiddellijke inhechtenisneming, omdat er kans op vluchten bestond en arrestatie dan moeilijk werd daar 'al die lui op elkaar lijken als pindamannetjes'. Effendi keerde zich tijdens de rechtzitting tegen dit racisme en zei onder andere: 'Gij vraagt mij, wat ik in Holland kom doen. Ik antwoord U met een wedervraag: Wat kwaamt gij en de uwen in Indonesië doen?' Uiteindelijk kreeg hij een maand gevangenisstraf die hij in het Huis van Bewaring in Amsterdam uitzat.

Net als bij Palar en Tas toont de politieke loopbaan van Effendi spectaculaire breuken. Zijn biograaf Joop Morriën beschrijft dat hij in 1946 uit de CPN werd geroyeerd omdat hij tijdens de oorlog sympathie had getoond voor Paul de Groots tegenspeler Daan Gouloze. Hij keerde terug naar Indonesië, was korte tijd lid van een trotskistische partij en eindigde als vrome moslim.

Algemeen Handelsblad

De waarde van dit Biografisch woordenboek wordt, vanzelfsprekend, in hoge mate bepaald door de kwaliteit van de auteurs. Soms ligt de auteurskeuze voor de hand, soms niet. De bezorger van de heruitgave van het werk van Theo Thijssen, Peter Paul de Baar, behandelt uiteraard de geestelijke vader van Kees de jongen. Even voor de hand liggend is het dat Gorter-biograaf Herman de Liagre Böhl over de communistische dichter schrijft. Maar voor de filmer Joris Ivens en de schrijfster Annie Romein-Verschoor zijn niet hun biografen Hans Schoots en Angenies Brandenburg aangetrokken. Zij worden behandeld door respectievelijk Bert Hogenkamp en Jos Perry.

Uitgesproken sociaal-democraten, zo blijkt verder, worden bij voorkeur gebiografeerd door sociaal-democraten, uitgesproken communisten door (ex)-communisten, hoewel dat geen ijzeren wet is. Soms levert dat opmerkelijke verschillen in perceptie op. Ex-communisten tonen zich over het algemeen kritischer over hun voormalige geestverwanten dan sociaal-democratische biografen over hun (ex)partijgenoten. Zo schrijft Ger Harmsen in het lemma over CPN-leider Paul de Groot (1899-1986) dat deze aan het begin van de Tweede Wereldoorlog opriep tot correct gedrag tegenover de bezetter en hij voegt daar aan toe dat het tot november 1940 duurde voor het eerste nummer van de illegale partijkrant De Waarheid verscheen. Wim Polak daarentegen maakt er nauwelijks een punt van dat zijn voormalige hoofdredacteur afzijdig bleef van het verzet (hij was sinds 1943 belast met de voorbereiding van een na-oorlogse herverschijning van Het Volk). Een illegaal orgaan van de SDAP werd door Voskuil nog wel opgericht, namelijk in februari 1945. Klaas Voskuil publiceerde daarin een gedicht over J.J. Voskuil onder de titel: 'Mijn oudste zoon wordt morgen achttien jaar'.

Ger Harmsen heeft met dertien lemma's (waarvan sommige samen met anderen) verreweg de meeste bijdragen aan deel zeven van het Woordenboek geleverd. Hij behandelt onder anderen de anarchist Anton Constandse, Louis Heijermans (broer van Herman en socialistisch arts in Amsterdam) en de tot de verbeelding sprekende marxistische, zionistische dwarsligger Sam de Wolff.

Anton Constandse (1899-1985), van huis uit doopsgezind, geloofde lange tijd in de mogelijkheid een anarchistische samenleving te verwezenlijken die vrij was van ieder gezag. Tijdens de oorlog zat hij onder meer gevangen in het concentratiekamp Vught. Een van zijn medegijzelaars daar was D.L. von Balluseck, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. Na de oorlog hielp hij Constandse aan werk, eerst bij het Militair Gezag, waarvoor de anarchist politieke overzichten schreef, vervolgens bij het Algemeen Handelsblad waar hij een nog altijd legendarische redacteur buitenland werd. In woord en geschrift was Constandse volgens Harmsen niet bepaald fijnzinnig. 'Hij ontzag niets en niemand, maar tegelijkertijd was hij een hartelijk en eenvoudig mens die zich voor niemand te goed voelde en iedereen voor vol nam.' Omdat de kloof tussen een consequent principieel liberalisme en het anarchisme volgens Constandse niet onoverbrugbaar was en hij zich in zijn journalistieke werk louter op feiten baseerde, was de relatie tussen het liberale Handelsblad en Constandse uitstekend, volgens zijn biograaf. Ongetwijfeld kwam het die relatie ten goede dat Constandse zijn politieke opvattingen in de loop der jaren herzag. In 1965 schreef hij: 'Ik heb het anarchisme vaarwel gezegd, zoals men afscheid neemt van een gestorven geliefde. En ik ben niet hertrouwd.'

Liefdesgeschiedenissen

Wat een mooie manier om het loslaten van lang gekoesterde opvattingen en idealen zonder rancune of zelfbeklag onder woorden te brengen. Ver voor Constandse heeft de dichteres Henriette Roland Holst (in deel 5 van het woordenboek gebiografeerd door Ger Harmsen) het socialisme beschreven als haar geliefde en velen na haar hebben het precies zo gevoeld. Met deze metafoor in het achterhoofd leest het Biografisch woordenboek als een reeks hartstochtelijke liefdesgeschiedenissen die zelden goed aflopen, maar misschien juist daarom zo boeiend zijn. Normaal gesproken gebruik je biografische woordenboeken, net als encyclopedieën als naslagwerk. Deel zeven van het Biografisch woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland heb ik echter van A (Isaac Salomon Arbeid - oprichter van de slagersgezellenbond) tot Z (Jan van Zomeren - voorzitter van het Nationaal Arbeids-Secretariaat) uitgelezen met het gevoel in een opwindende historische roman te zijn verzeild geraakt.

Met dit zevende deel nadert het Biografisch woordenboek zijn eind. Er volgt nog één aflevering plus een deel aanvullingen en registers en daarna is het afgelopen.

Vergeleken met Frankrijk, waar de Dictionnaire Biografique du Mouvement Ouvrier Francais, onder redactie van Jean Maitron, inmiddels 34 delen telt (en op CD-ROM staat) is de oogst beperkt. Maar de zeven delen die tot nu toe zijn verschenen over voorlieden van de sociale bewegingen in Nederland, overtreffen ongetwijfeld de verwachtingen die P.J. Meertens in 1953 van zijn project koesterde.