Angst voor de vreemdeling

William R. Polk: Neighbours and strangers. The fundamentals of foreign affairs. Chicago University Press, 366 blz. ƒ 74,80

Toen William Polk in de eerste helft van de jaren zestig, onder de presidenten Kennedy en Johnson, deel uitmaakte van de 'planning staf' van het State Department had hij al een universitaire carrière achter de rug. Nadien richtte hij nog een van Amerika's prominente denktanken op het terrein van de internationale politiek op, en voordat hij met pensioen ging, zou hij nog hoogleraar aan Harvard worden en een lange reeks internationale organisaties van zijn adviezen voorzien. Een indrukwekkende carrière in combinatie met een riant pensioen - de ideale voorwaarde om je te wagen aan een geschiedenis van de grondslagen van de internationale betrekkingen. Neighbours and strangers gaat over de wijze waarop de mens in de loop van zijn bestaan is omgesprongen met de vreemdeling in zijn omgeving: over verdedigen, veroveren en verdrijven; over legers, diplomaten, kooplui en spionnen; van het stenen tijdperk tot aan het einde van de twintigste eeuw.

Polk heeft zich laten inspireren door de beperkingen van de gangbare kijk op internationale betrekkingen. Ze zou te zeer zijn georiënteerd op de relaties tussen staten (diplomatie), waardoor het zicht op de dikwijls ingenieuze samenhang met al die andere aspecten van onze omgang met vreemdelingen verloren gaat. En ze vertoont een serieus gebrek aan historische belangstelling. De leer van de internationale betrekkingen is a-historisch, stelt Polk met zoveel woorden. Ze beweegt zich in het luchtledige. Ze ontbeert de dimensies van tijd en ruimte. Polk is niet de eerste historicus die zich opwindt over de feilen van de leer der internationale betrekkingen, maar anders dan de meeste criticasters heeft hij het niet bij kritische kanttekeningen gelaten.

Voor een studie naar de (historische) grondslagen, naar de samenhang van internationale politiek is Neighbours and strangers opmerkelijk losjes gecomponeerd. Theorieën, modellen en concepten zijn aan Polk niet besteed; de enige leidraad is zijn eigen kritische zin. Polk gebruikt de geschiedenis als een ruif waaruit hij naar believen eet, niet om de historische werkelijkheid in het keurslijf van enige theoretische abstractie te dwingen maar om aan te geven dat er eigenlijk weinig nieuws onder de zon is. Aan vrijwel ieder aspect van de wijze waarop wij nu menen te moeten omgaan met de onbekende in onze nabijheid ligt een rijke historische ervaring van vergelijkbaar handelen ten grondslag. Polks stelling is dat de angst voor de vreemdeling zo diep is geworteld, zo alom aanwezig is, dat ze een doorslaggevende rol heeft gespeeld in het ontstaan en de ontwikkeling van de menselijke beschaving(en). De cruciale vraag is altijd geweest hoe te reageren op de uitdaging die de potentiële vijand aan ons stelt? De geschiedenis geeft in wezen twee antwoorden: het streven de onbekende buiten de deur te houden of de poging zich op de een of andere wijze te schikken naar de omstandigheden en een vorm van aanpassing, van samenleving te realiseren.

De Chinese Muur is het klassieke maar niet het oudste, en de Berlijnse Muur is het meest recente maar zeker niet het laatste voorbeeld van de onafgebroken inspanning om de vijand op afstand te houden. Muren en wallen zijn duizenden jaren lang de belangrijkste scheiding geweest tussen 'ons' en 'hen'. Ze hielden de 'ander' buiten, en ze stimuleerden zowel de onderlinge saamhorigheid en loyaliteit van de 'eigen' groep als hun organisatorische en technologische vindingrijkheid en vooruitgang. Vanuit het perspectief van de huidige tijd waarin migratie, multiculturaliteit en mondialisering in veler mond bestorven liggen, is Polks conclusie opmerkelijk dat juist de gemeenschappen (culturen) die erin slaagden de 'ander' op afstand te houden tot de winnaars in de geschiedenis kunnen worden gerekend. 'Ik ben ervan overtuigd', stelt Polk, 'dat regeringen en samenlevingen ook in de toekomst terug zullen vallen op dit oudste en meest ondubbelzinnige instrument van de buitenlandse politiek en dat onze kinderen en kleinkinderen in een wereld leven waarin de muren die ons scheiden altijd zichtbaar zijn'.

Polks vaststelling is ook om een andere reden opmerkelijk (en onhoudbaar) omdat het streven van de mens zich op de een of de andere wijze te schikken naar de aanwezigheid van de vreemdeling (of er profijt van te trekken) net zozeer een historische reflex is als de poging hem buiten de deur te houden. Het grootste deel van Neighbours and strangers is juist gewijd aan de vindingrijkheid, de sluwheid, de voorzichtigheid, de onmenselijkheid dikwijls waarmee we zijn omgesprongen met de buitenstaander in ons midden en aan onze grenzen. En ook hier geldt voor de historicus William Polk dat niets zo nieuw, zo modern is als het lijkt, of het nu gaat om diplomatie, om de betekenis van handel, om spionage, of om de rol van 'amateurs' (tegenwoordig: non-gouvernementele organisaties) in de internationale politiek.

Polks Neighbours and strangers laat zich moeilijk samenvatten. Het heeft ook geen conclusie; het spreekt voor zichzelf. Het is een fraai boek, goed geschreven, rijk aan details en inspirerend.

Logisch dus dat dit meisje zich aan Mahler vastklampte om via hem haar eerzucht bevredigd te zien? Logisch - maar niet romantisch. Romantischer zou het geweest zijn als ze gekozen had voor Zemlinsky.