Trou Moet Blycken

J.M.W. Scheltema (1921-1947)

Hongaarse Rhapsodie

(Rika Csardas)

(Wijze: Ritka buza, ritka arpa)

Aszick vamme werc komcseggic

szunne menou

rika, rika

laane menou.

Evve nochwa tetegec kerd

toenoula melos

mal legec, mal legec

toenoula melos.

Em ma proppe, etep proppe

Em ma szèchela melos

Tottic nedde crantep emme

leckurre segret, danszeg tse

kanapee, kanapee

toenoutyn ustoe.

Aszick csavus im melyche mostap

seggictoe

rika, rika

laane menou.

Evve nochwa pittetyn us

toenoula melos

szotterick, szotterick

toenoula melos.

Em ma pitte, maffup pitte

Em ma szèchela melos

Tottic evvelec kursellef

noggetuc kydoe, danszeg tse

szoe menou, szoe menou

toenoutyn ustoe.

Dit is geen absurd gedicht, dit is - ahum - macaronische literatuur. Dat wil zeggen literatuur waarbij twee talen worden gemixt. De een leest de Hongaarse zinnen aszick vamme werc komcseggic en evve nochwa tetegec kerd, de ander de zinnen als ik van m'n werk kom zeg ik en effe nog wat eten, gekkerd. De oogverblindende zigeunerzin aszick csavus im melyche mostap wordt voor de nuchtere lezer als ik 's avonds in m'n lits-jumeaux stap. En maar zeggen: laat me los. Toe nou, Tinus, toe.

Het gedicht is niet echt macaronisch. De term was oorspronkelijk voorbehouden aan een mengeling van Latijn en Grieks of van Latijn en elementen uit de volkstaal. Later is het begrip aanzienlijk verruimd en gold het voor zowat elke hutspot van twee talen. De rapsodie van J.M.E. Scheltema - op jonge leeftijd om het leven gekomen en niet te verwarren met H.J. Scheltema (1906-1981) die onder het pseudoniem N.E.M. Pareau gedichten schreef - is helemaal niet in het Hongaars gesteld of zelfs maar in een verbastering ervan, het lijkt er alleen visueel op. Het is meer wat Jonathan Swift deed:

Apud in is almi de si re

Mimis tres I ne ver re qui re

- een Latijn dat we moeten lezen als

A pudding is all my desire

My mistress I never require.

De bloeitijd van het macaronisme, zegt men, viel in de vijftiende en zestiende eeuw. Toch zijn er uit vroeger eeuwen al voorbeelden van. In Handgeschreven wereld van Dini Hogenelst & Frits van Oostrom, de platenatlas van de Middeleeuwen, lezen we:

Quant à li parle fait li mauwe

En disant: Wil tu mi trauwen...?

- een vermenging van Frans met Nederlands die we zes eeuwen later terugvinden in John O'Mills:

Mon oncle qui

Mon oncle qui

Mon oncle qui-

tle ma tante

Misschien is de mode destijds wel voortgekomen uit de drang Latijnse kerkzangen en gebeden een beetje begrijpelijker te maken door er vertalingen doorheen te vlechten. Een vroege ondertiteling van kerkwege, zeg maar. 'Eene dichtsoort', merkt een negentiende-eeuwse kenner van het geestelijk lied op, 'die ons niet anders dan als wansmaak kan voorkomen.' Ene opmerking die ons nu weer als overbodig voorkomt. In elk geval leende het linguïstische half-om-half zich goed voor een wereldse toepassing en voor spot. In de zeventiende en achttiende eeuw was het niet weg te branden uit de studentenpoëzie. Nog in de negentiende eeuw sloeg het aan. In de Leidse Studentenalmanak voor het jaar 1823 komen we een macaronische bespiegeling tegen over het roken met dichtregels als

Non omnes Kokki

longos qui dragere messos

Niet toevallig komt Scheltema's rapsodie uit een bundel die Chansons, Gedichten en Studentenliederen (tweede druk, 1948) heet. Het gaat om façade-Hongaars, zoals het vroeger om Potjeslatijn ging. Totschlago vos sofortissime nisi vos benehmitis bene, dreigde de baron van Münchhausen eens fraai. 't Doet me denken aan het Nota beide bene! van Koot en Bie. Een puur staaltje modern Nederlands macaronisme. Het macaronisme heeft de eeuwen getrotseerd. Om het met een citaat uit de Ulysses van Joyce te zeggen: Muchibus thankibus.