Televisiejournalistiek

Regelmatig lees je in de dagbladen de verzuchting: televisiejournalisten doen zo veel aan opinie en emotie, en zo weinig aan feiten en analyse. Harry van Wijnen beklaagt zich erover (NRC Handelsblad, 23 februari) en Frits Abrahams uit in zijn rubriek 'Oog in oog' vaak dezelfde klacht. De kritiek dat de televisiejournalistiek “alleen interviewers heeft voortgebracht, geen journalisten die zelf commentaar geven of analyseren en het nieuws in hun context plaatsen” (Van Wijnen) is gebaseerd op een denkfout.

Iedere journalist moet hetzelfde doen. Maar de vorm waarin de verslaggever of commentator zijn verhaal giet, verschilt per medium. Op de televisie domineert het beeld. De commentaartekst dient alleen ter ondersteuning of toelichting van de shots. Beeld is dwingender dan geluid. Ook een televisie-onderwerp is niet te maken zonder grondige analyse - al komt de verslaggever zelf uiteindelijk geen moment in beeld of aan het woord. Is hij daarmee een 'interviewer' in de denigrerende zin waarin Van Wijnen de term gebruikt?

Televisie kent nu eenmaal haar formele beperkingen. Als de hoofdpersonen in een affaire, zoals Docters van Leeuwen en Steenhuis, niet voor de camera willen verschijnen, betekent dat natuurlijk niet dat de televisiejournalistiek tekortschiet of dat ter redactie een leidend beginsel ontbreekt. Maar wie met zijn hoofd in beeld analyses gaat uitspreken geeft zichzelf al gauw een onevenredig groot gewicht mee. Televisie leent zich niet voor grote woorden en gewichtige taal.

Dat de televisiejournalistiek de feiten laat liggen, is een misvatting. Doorgaans zijn de reportages in de nieuws- en actualiteitenrubrieken gebaseerd op feiten en analyse. Dat de televisie appelleert aan emoties en opinies doet daar niets aan af.