SPIERGEBRUIK

De ene fietser is de andere niet wat spiergebruik betreft. Wie rechtop fietst, de handen losjes aan het stuur, de holte van de voet op de trapper, gebruikt vooral de bovenbeen- en bilspieren om vooruit te komen. Dat zijn de heup- en kniestrekkers. Hun antagonisten, de buigers van knie en heup trekken daarna het been weer omhoog.

Dit zijn spieren die intintn gewricht buigen of strekken. Enkele spieren die over twee gewrichten lopen (over heup- en kniegewricht) leiden de trapbeweging in de goede richting. De pedaaltred wordt soepeler en efficifornter als ook de enkel meedoet. Zet de bal van de voet op de trapper, strek als de trapper bijna beneden is de enkel, dan werken de kuitspieren ook mee. De enkel buigt weer als het been naar boven gaat met de trapper.

De rug-en armspieren doen mee zodra niet zwaar zittend op het zadel wordt gefietst. Bij krachtig fietsen wordt bij het naar beneden bewegen van de rechtertrapper aan het rechterstuur getrokken. De rechterpedaal en de rechterhelft van het stuur werken dan als hefbomen. De racefiets waarop bovenlichaam en armen een gespannen boog kunnen vormen vergemakkelijkt deze manier van fietsen. Alle spieren in armen, rug en benen doen dan mee. Alleen de buikspieren van een hardfietser blijven wat achter.