Kunsthandelaar Frank Velghe over zijn collectie 'onzuivere' beelden; Een Afrikaanse Chief met paraplu

'Colons' zijn Afrikaanse beelden die er voor westerlingen veel te westers uitzien. Vanaf zondag is in de Kunsthal een tentoonstelling te zien van zulke colons, uit de collectie van kunsthandelaar Frank Velghe. “Musea zien ze nog steeds als imitaties van het westerse mensbeeld.”

Vanaf 1/3 t/m 7/6 in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Di. t/m za. 10-17 uur, zo. 11-17 uur.

ANTWERPEN, 26 FEBR. Ze lijken op klassieke, houten Afrikaanse beelden, maar ze zijn het niet. Niet helemaal althans. Want aan een 'colon', zo heet deze etnografische variant, kleven 'onzuivere' details waar westerse musea en verzamelaars van Afrikaanse bronzen en houtsnijkunst lange tijd hun neus voor op haalden.

'Colon' verwijst naar het Franse woord voor 'koloniaal', naar de Europeaan, wiens gestalte vanaf eind vorige eeuw de Afrikaanse beeldhouwkunst is binnengeslopen. De ambachtsman hakte ineens een bolhoed mee of hooggehakte schoenen, een horloge of een dikke winterjas. Ook lichaamsverhoudingen behoefden anatomische 'correcties'. Aangezien men hier lange tijd de mening was toegedaan dat het rituele Afrikaanse beeld niet 'primitief' dus 'authentiek' of 'zuiver' genoeg kon zijn, werd het beeld van een fietsende voorouderfiguur nauwelijks serieus genomen.

Dankzij kunsthistorische publicaties is de colon recentelijk aan een opwaardering begonnen. Frank Velghe was er al eerder bij. Uit diens oogst van vijftien jaar verzamelen presenteert de Kunsthal in Rotterdam vanaf zondag zo'n tachtig beelden; ze zijn tussen de vijftien en zeventig centimenter hoog. “Colon was inderdaad synoniem voor rotzooi”, zegt Velghe. “Musea en particulieren willen wel zo'n vreemd eend in de bijt, ter vergelijking met de 'echte' beelden, maar men ziet ze nog steeds als imitaties van het westers mensbeeld.”

Velghe, houdt kantoor op een sinistere plek bij Antwerpen. Achter een garagedeur waakt een Belgische herdershond over een leeg fabriekscomplex dat door desinteresse van de eigenaar in staat van ontbinding is geraakt. Vanuit een daar gehuurd kantoortje handelt Velghe in oude en eigentijdse Afrikaanse kunstnijverheid. Textiel, bronzen, kralen snoeren van glas en een assortiment verse beestenbeelden, net gehakt uit zeepsteen dat zowel de kleur van gips als potaarde kan aannemen.

Velghe: “We hadden familie in Zuid-Afrika. Ik ben er nooit geweest, maar als jongetje al sprak en las ik Zuid-Afrikaans. Een man op de ambassade van Zuid-Afrika was mijn beste vriend. Ik vroeg hem eens iets over een krantenbericht dat melding maakte van lijfstraffen, van geselingen, in Afrika. 'Primitieve mensen kennen nu eenmaal primitieve straffen', antwoordde hij. En die opmerking heeft me destijds aan het denken gezet. Juist van deze man had ik een afkeurende reactie verwacht. Na vele contacten met Afrikaanse vluchtelingen ben ik later actief geworden in de anti-apartheidsweging. Ik trouwde hier met een Nigeriaanse vrouw en nog steeds weten veel Afrikanen me te vinden.”

Aanvankelijk werkte Velghe als welzijnswerker in Nederland. Het 'harde spel in de zachte sector', de collegiale wrijvingen over de aanpak in de hulpverlening, stond hem na vele jaren niet meer aan. Hij nam ontslag en stapte over op zijn hobby. “Ik werk nu met agenten in heel Afrika en daarnaast koop ik in het westen collecties op. Er is in Afrika nog genoeg te vinden. De Europeaan denkt dat na diens vertrek alles daar ophield of dat er alleen nog maar 'fakes' werden gemaakt. Maar waar mensen wonen, ontstaan voorwerpen.”

Een deel van Velghe's driehonderd, vaak beschilderde colons is opgeslagen in een hoek van de fabriek: een zwarte jongen in een matrozenpakje, een zwarte, stramme heer in een Brits ambtenaren-uniform en een zwarte moeder die haar kind niet, zoals voorheen, de borst geeft, maar het op z'n westers aan de hand houdt. Er ligt ook een bol type hoofdmasker van de Ibo-groep uit Nigeria: “Beschilderd met scheepsverf die westerse matrozen verhandelden. Zo'n masker valt dus ook in de categorie colons,” vindt Velghe.

Menige traditionele sculptuur, zoals bij de Baulé van de Ivoorkust, weerspiegelt een wensdroom of een ideaal. Rommelt het bijvoorbeeld in een relatie, dan moet het beeld van de ideale partner troost bieden. Dragen de houten Baulé-dames een b.h., dan drukt dat het verlangen uit naar Europese gelijkenis. En ziet men een Afrikaanse 'chief' met een paraplu in plaats van diens traditionele staf, dan hunkerde hij waarschijnlijk naar dezelfde macht als die van de blanke ambtenaar.

Bikini's, stropdassen, geweren, horloges, nagellak: bij de colons betekenen ze vaak meer dan uiterlijkheden. “Niets is eenduidig in de Afrikaanse etnografica,” vertelt Velghe. “Menige colon idealiseert de blanke koloniaal, maar maakt hem ook belachelijk of drukt juist het tegenovergestelde van verlangen uit; verzet of aanklacht. Zo'n 'chief' wilde misschien wel graag heersen over zo'n blanke ambtenaar-met-paraplu. En een dame in bikini staat beslist niet voor een westers 'sexappeal', maar hield verband met menstruatie. De man wiens vrouw menstrueerde kreeg zo'n pop toegestopt, als zij in het bijhuis ging slapen.”

Wie nu in de Kunsthal de naakte, maar geschoeide dametjes ziet staan of de heren met een keurige scheiding in hun glad gehakte kapsel, kijkt niet naar een 'Europees typetje', maar naar een dodenpop. Een generatie lang bood zo'n beeld onderdak aan de geest van de overledene. Regelmatig werd het ding gewassen en omgekleed. Vertrok het eenmaal uit een dodenkamer, dan mocht de ziel niet gaan zwerven. Vandaar dat er een arm of voet werd afgebroken; het beeld had zijn functie verloren. Later werd om commerciële redenen die arm of voet er weer aangeplakt. Een ongeschonden beeld in dit genre moet dus gestolen zijn.

Zoals de westerse jeugd Pasen vooral met 'eieren zoeken' associeert, zo zijn in Afrika de functies van eeuwenoude rituelen veelal verloren gegaan, vertelt Velghe. Voelt hij zich dan niet schuldig aan het plunderen van Afrika's cultureel erfgoed? “Ik zie liever dat de voorwerpen met westerse hulp daar in een bepaalde context blijven voortbestaan. Maar dat gebeurt niet. Want als je als Afrikaan moet overleven, is het beheren van een culturele nalatenschap een grote luxe. Gelukkig worden die stukken hier wèl bewaard, met toestemming overigens van de locale overheden in Afrika, want zij geven mij het fiat voor de export.

“Natuurlijk wordt er ook op grote schaal gejat en gesmokkeld. En daar zou paal en perk aan moeten worden gesteld. In Amsterdam boog zich onlangs een aantal hoge westerse dames en heren, vooral ambtenaren uit binnen- en buitenland, over maatregelen tegen illegale import van etnografica. In diezelfde tijd werd de Kongolese machthebber Mobuto verdreven en verdwenen er massa's oude beelden en objecten uit het museum van Kinshasa. In plaats van duur te vergaderen hadden ze beter ter plekke een lijst van die gestolen voorwerpen kunnen laten opstellen. Mocht er nu zo'n stuk opduiken, dan hadden wij, als geïnteresseerden in etnografica, van musea tot particulieren, alarm kunnen slaan.”