Het is te vroeg voor een varkenshart

Xenotransplantatie, het implanteren van dierlijke organen in de mens, is niet alleen een technische handeling. De essentie van het menszijn is in het geding, menen Anja Hiddinga en Marli Huijer.

Xenotransplantatie, het implanteren van dierlijke organen in de mens, is weliswaar ethisch acceptabel, maar de techniek is absoluut niet rijp voor de kliniek. Dat is de strekking van een recent rapport van de Gezondheidsraad. De aandacht in de media gaat vooral uit naar de mogelijke risico's die de mens zou kunnen lopen. Is transplantatie van organen in onze cultuur een zodanig aanvaarde en prestigieuze behandelmethode dat ethische vragen rond xenotransplantatie geen aandacht behoeven? Of houdt ethiek in dat alles toelaatbaar is, zolang er niet te veel gevaren en nadelen voor mens en dier zijn? Zonder een maatschappelijk debat over wat xenotransplantatie betekent voor de lichamelijke integriteit en de menselijke identiteit, is de stellingname dat xenotransplantatie ethisch acceptabel is, een loze kreet.

Het transplanteren van dierlijk weefsel naar de mens is niet nieuw: de afgelopen honderd jaar zijn er, zonder veel succes, verscheidene pogingen gedaan. Het falen lag in de enorme afweer van het lichaam tegen dierlijk weefsel. De laatste jaren zijn echter nieuwe geneesmiddelen ontwikkeld, die de afweer tegen 'vreemd' weefsel beheersbaarder hebben gemaakt. Transplantaties van dier naar mens zijn daardoor dichterbij gekomen, maar om de overeenstemming tussen dierlijk en menselijk weefsel zo groot mogelijk te maken, zijn genetisch gemodificeerde dieren nodig. In Engeland heeft de firma Imutran (een biotechnologisch bedrijf) genetisch gemodificeerde varkens gekweekt die speciaal bedoeld zijn om als dierlijke bron voor xenotransplantatie te dienen. De Britse overheid heeft hierop gereageerd door een moratorium af te kondigen voor het werkelijk uitvoeren van xenotransplantaties. Er is een commissie ingesteld die toezicht houdt op het uitvoeren van wetenschappelijke experimenten op dit gebied. Proeven met mensen mogen voorlopig niet worden uitgevoerd.

In Nederland, zo blijkt uit de berichtgeving, heeft ook de Gezondheidsraad zich, net als de Britse adviescommissie, beperkt tot de meer technische aspecten van xenotransplantatie: de risico's en voordelen voor mens en dier op korte en lange termijn. Zoals in alle discussies over de wenselijkheid van een bepaalde medische behandeling, is er een tegenstelling tussen de directe nood van de individuele patiënt en de belangenafweging op maatschappelijk niveau. Wie durft er tegen xenotransplantatie te zijn als hij geconfronteerd wordt met een jong persoon wiens leven afhangt van het krijgen van een varkenshart? De beschikbaarheid van dierlijke organen kan daarnaast het probleem van de wachtlijsten voor transplantatie oplossen. Geschat wordt dat wereldwijd dagelijks 40 tot 50 mensen overlijden die op een wachtlijst voor transplantatie staan. Dit probleem wordt nijpender, omdat zieke mensen steeds langer in leven kunnen worden gehouden. De vraag naar donororganen groeit dus, terwijl het aanbod geen gelijke stijging vertoont. Verbetering van de verkeersveiligheid is, ironisch genoeg, de reden dat een belangrijke bron van donororganen (verkeersslachtoffers) afneemt. Xenotransplantatie lijkt dus dé oplossing voor het wachtlijstprobleem.

De vraag is echter of het doel, gelijke kansen op een donororgaan voor alle wachtenden, het middel van de xenotransplantatie rechtvaardigt. Hoe tragisch het ook is dat mensen overlijden die geholpen hadden kunnen worden, in vergelijking met andere kwalen die levens kosten is hun aantal gering. Per dag sterven vele tienduizenden door tbc, cholera, malaria en door gebrek aan schoon water, basaal voedsel of eenvoudige medicijnen.

De intuïtieve bedenkingen die veel mensen hebben tegen xenotransplantatie worden ongrijpbaar als ze worden doorgeredeneerd. Het transplanteren van donororganen is immers een reeds lang toegepaste en gewaardeerde medische praktijk. En zelfs het implanteren van dierlijk weefsel bij mensen is geen nieuwtje: het vervangen van slecht functionerende hartkleppen door varkenshartkleppen is al langere tijd een routine-operatie. Het bezwaar tegen het gebruik van dierlijk weefsel voor de instandhouding van het lichaam is bovendien moeilijk te rijmen met onze vleesconsumptie. Dagelijks werken mensen grote hoeveelheden dierlijk weefsel via de mond naar binnen. Voor sommigen is dat geen probleem, voor anderen een reden om zich vurig tegen de bio-industrie te verzetten.

Er kunnen echter ook bedenkingen tegen xenotransplantatie aangevoerd worden, die verder gaan dan de argumenten tegen het fokken van dieren voor menselijke consumptie. De commissie van de Gezondheidsraad die zich heeft gebogen over de ethiek van xenotransplantatie richt zich vooral op het formuleren van bezwaren op grond van het lijden van dieren en de eventuele risico's voor de mens. De adviezen lopen parallel aan de regelgeving ten aanzien van vleesproductie. Het vlees moet voldoen aan gezondheidseisen en de dieren mogen niet onder mensonterende omstandigheden worden gefokt. Kortom, als het verkrijgen van dierlijk weefsel voor transplantatie voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de consumptie van vlees, zijn er geen bezwaren tegen xenotransplantatie te formuleren. Het zal nog wel even duren voordat aan deze eisen kan worden voldaan. Maar als deze argumentatie wordt gevolgd, is het accepteren van xenotransplantatie slechts een kwestie van tijd.

Xenotransplantatie is op een aantal punten niet te vergelijken met het transplanteren van menselijke donororganen of het consumeren van dierlijk vlees. Aan xenotransplantatie kleeft een vreemdheid die te maken heeft met het overschrijden van grenzen tussen de soorten. Die vreemdheid is ook al aanwezig bij transplantaties van menselijke donororganen: het is misschien gemakkelijker te leven met een orgaan van iemand van wie men heeft gehouden, dan met een orgaan van een onbekende, of erger nog, van iemand aan wie men een hekel heeft gehad. Maar het implanteren van dierlijke organen is in deze reeks van lichaamsvreemde implantaties het meest vreemd. Zo vreemd, dat de essentie van het menszijn, de aard en het wezen van ons bestaan ermee ter discussie komen te staan. Xenotransplantatie roept het perspectief op dat het menselijk leven verwoest zal worden door dierlijke virussen, dat de grenzen tussen mens en dier in de toekomst zullen vervagen, of dat de menselijke eindigheid wordt opgeheven en het leven daarmee elke zin verliest.

De geschiedenis leert dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën veelal een grillig en ongrijpbaar patroon heeft. De reden hiervan is dat over de gevolgen van nieuwe technologie van tevoren vaak onvoldoende wordt nagedacht en dat bovendien niet precies te overzien is wat zij teweeg zal brengen. Geneigd als we zijn om nieuwe technologische ontwikkelingen te interpreteren als vooruitgang, is de verleiding groot om ze op zijn minst uit te proberen. Zeker als het gaat om medische technologie voor levensbedreigende situaties. Maar waarom zouden we ervoor kiezen om onderzoeksgelden in dergelijke experimenten te stoppen? Waarom niet het geld uitgeven aan onderzoek naar het accepteren van de dood?

Een discussie over xenotransplantatie die zich beperkt tot technische overwegingen omtrent veiligheid en gezondheid, werkt als een fuik. Ze leidt onontkoombaar tot één conclusie: xenotransplantatie is een wenselijke aanvulling op het medisch behandelingsarsenaal. Daarmee blijft de vraag over de kwalitatieve verandering die de introductie van xenotransplantatie zal inhouden onbehandeld. Beslissen over de toelaatbaarheid en wenselijkheid van xenotransplantatie vraagt om een ander reflexief kader dan het beperkte kader van wetenschappelijke en technische rationaliteit. Ook ethische vragen over deze nieuwe medische technologie moeten zich niet beperken tot de risico's, maar ingaan op de veranderingen die xenotransplantatie teweeg kan brengen in het omgaan met de menselijke eindigheid, met de grenzen tussen mens en dier, of met de niet te voorziene ervaringen die xenotransplantatie bij mensen teweeg kan brengen.