Hak, hak...

“Had ik hem maar nooit omgelegd.” Meewarig schudt hij zijn hoofd. Het is een boom van een kerel, een en al tatoeage, met op zijn wang een groot litteken en ogen die heen en weer schieten alsof er overal gevaar dreigt. Even lopen me de rillingen over de rug. Het is niet de moord op zich - killers genoeg hier - maar de toon waarop, vlak en emotieloos, alsof het om het weer gaat.

“Acht jaar hebben ze me gegeven en ik weet niet hoelang tbs. Misschien kom ik wel nooit meer los. Nou, dat was die kolerelijer echt niet waard, nog geen jaar. Wat? Nog geen maand!” Hoofdschuddend loopt hij door. Het liefst was ik omgedraaid. Maar ik heb geen keus. Als Tattoe John zijn rondjes met je wil draaien, moet je wel mee. Wie weigert, heeft al gauw een paar klappen te pakken. We gaan tegen de stroom in. Ook dat is geen punt. Killers draaien hun eigen rondjes, het voorrecht van de top, daar heeft het voetvolk niks mee te maken.

“Mijn schoonvader”, zegt hij een paar rondjes later. “Met een bijl... hak, hak, hak...” Hij maakt een paar hakbewegingen. Ik laat zijn toespeling op het televisiespotje voor wat ze is.

“En nu is mijn wijf er ook nog vandoor, al drie keer niet geweest en nergens meer te vinden. Ik heb de hele pleuriszooi gebeld, nul komma nul. Tyfuswijf, zolang ik geld had, was ik goed, en nu ik 'r nodig heb...” Hij ramt met zijn vuist tegen het gaas. Alle luchters vallen stil. Ook ik verroer geen vin. Maar het valt mee. Langzaam komt hij tot bedaren. In zijn ogen glinsteren tranen. Ik doe alsof ik ze niet zie. Bajesklanten janken niet. Zwijgend lopen we door. De bel 'einde lucht' gaat. Ons laatste rondje.

“Maar ja, eigenlijk heeft die kankerlijer me hier ook nog te pakken”. Woedend gebaart hij naar de bajes. “En die tyfusdochter van hem erbij. Laat ik haar niet tegenkomen... hak, hak, hak...” Hij begint te lachen. In zijn ogen gloeit een licht dat ik nog nooit eerder heb gezien. Aan de andere kant van de X-ray wachten de bewakers hem al op. Met zijn vieren voeren ze hem af. Nog een keer kijkt hij om. “Hak, hak, hak...” Zijn handen klieven door de lucht. Net als in het spotje.

'Ik denk dat ze niet meer leeft.' Vertwijfeld kijkt hij me aan. Hij komt uit Colombia en heeft er twee jaar opzitten. Vijf jaar heeft hij gekregen voor handel in verdovende middelen en deelname aan georganiseerde misdaad, het kartel dus. Sinds zijn arrestatie heeft hij niets meer van zijn vrouw gehoord. Brieven worden niet beantwoord. De telefoon is afgesneden. Voor de ambassade in Madrid bestaat hij niet. Voor de Spaanse autoriteiten evenmin. Zijn enige houvast is de pater die elke zondagmorgen een collectieve audiëntie op de binnenplaats houdt: Honderd klanten in twee uur pater. Maar ook hij heeft niets kunnen uitrichten. De laatste weken is hij steeds radelozer geworden. Geen kant kan hij meer uit. Alle wegen lopen dood. Hij staat op het punt van instorten. 'Het kartel heeft haar omgelegd. Uit voorzorg, bang dat ze doorslaat', vertrouwt hij me toe. 'Ik weet het zeker.' Zijn ogen zijn roodomrand, zijn handen trillen. Nagels heeft hij niet meer. Een zenuwtic rukt het hoofd voortdurend naar rechts. Uit zijn borstzak haalt hij een beduimelde foto. Een latijnse reisbrochurevrouw met te veel make-up en oorbel staart me aan. Voorzichtig leg ik haar op tafel. Woordloos zitten we een tijdlang tegenover elkaar met zijn vrouw tussen ons in. Af en toe beroert hij haar gezicht. Soms huilt hij wat. Een keer mompelt hij iets over Colombia, huurmoordenaars en doodgaan. 'Ze heette Conchita', zegt hij als de bewaker hem komt halen. 'Dit is alles wat ik nog heb.' Behoedzaam steekt hij haar in zijn zak.