Gezondheid; Goed voor hart en dikke darm

Wielrennen is gevaarlijk. Maar fietsen is gezond en goed voor het milieu. Net als andere lichamelijke inspanning. Maar hoe krijg je de stilzitters in het zadel?

FIETSEN LIJKT ONGEZOND, vooral tijdens de eerste week van de Tour de France. Iedere dag een massale valpartij. Op het asfalt bloed, verwrongen wielen en kreunende wielrenners. Meestal zijn alleen sleutelbeenderen gebroken, maar soms verschijnt een ambulance om een ongelukkige met schedelbasisfractuur af te voeren.

Meer spectaculaire fietsongelukken staan in het geheugen gegrift, of ten minste in het krantenarchief. Oud-wielrenner Gert-Jan Theunisse klapte vorig jaar in een afdaling in de Franse Alpen op een tegemoetkomende auto. Hij raakte vanaf zijn middel verlamd. De kale Italiaanse klimmer Pantani viel vorig jaar in de ronde van Italië over een kat. Scheurtjes in zijn dijbeen. Twee jaar eerder brak Pantani in het voorjaar zijn sleutelbeen en in het najaar botste hij in een afdaling tegen een vrachtwagen die uit een zijweggetje kwam. Gecompliceerde beenbreuk.

Er zijn ook wielrenners die dood vallen. De beroemde Portugese coureur Joachim Agostinho overleed in 1984 nadat hij in de finale van een koers over een hond reed. In de Tour van 1996 viel de Italiaan Casartelli met zijn hoofd tegen een paaltje. In Nederland overleden tussen 1987 en 1990 zeven wielrenners aan een hartstilstand. De geruchten over onoordeelkundig dopinggebruik waren niet van de lucht.

Maar de meeste van de 13 miljard fietskilometers die Nederlanders jaarlijks afleggen, worden niet op racefietsen met snelheden boven de 35 kilometer per uur afgelegd. Fietsongelukken van wielrenners vallen op, maar de vraag of fietsen gezond is, is er niet mee beantwoord.

De Fietsende Ambtenaren Naaldwijk (FAN) hebben daar geen twijfel over. Begonnen als fietsclubje reizen ze nu, ondergebracht in de stichting 'Fietsend naar het Werk? Doen!', op verzoek langs bedrijven en beurzen met hun fietsergometer. Woon-werkautorijders die er een stukje op fietsen krijgen voorgerekend hoeveel calorieën ze extra verbranden en hoeveel CO2-uitstoot ze voorkomen als ze voortaan naar hun werk fietsen, in plaats van autorijden. Fietsen is gezond en spaart het milieu, aldus de FAN. Hun stichting wordt gesponsord door ministerie en fietsindustrie.

Het milieuvoordeel van fietsen is duidelijker te berekenen dan het gezondheidseffect. De fietser verbruikt aanmerkelijk minder energie dan een auto. Een woon-werkfietser die een uur fietst en er niet van zweet, heeft genoeg aan één extra boterham. Voor de productie van die extra boterham is aanzienlijk minder fossiele brandstof nodig dan voor het verplaatsen van honderden kilo's autoblik, motorblok, glas en kunststof.

Dr. Ingrid Hendriksen onderzocht het gezondheidseffect van woon-werkfietsen. Ze promoveerde erop in oktober 1996 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hendriksen vond 122 mensen die in de regel met auto of openbaar vervoer naar hun werk gingen bereid een jaar lang naar het werk te fietsen. Zo vaak als werk, weer en gezin het toelieten. De 122 waren ongetraind, maar goed gezond.

De deelnemers deden vooraf een inspanningstest op een fietsergometer. Daarbij werd vastgesteld hoeveel Watt ze maximaal aan trapvermogen konden leveren (W, een maat voor spierkracht) en wat hun maximale zuurstofopname (VO, een maat voor longcapaciteit) was. Verder werden hun gewicht, bloeddruk en cholesterolgehalte gemeten.

Daarna moest de helft van de groep een halfjaar net doen of ze niet meedeed. Zij vormde de controlegroep. De andere helft van de groep ging fietsen. Na een halfjaar fietsten alle deelnemers nog een halfjaar ten behoeve van het onderzoek. Gemiddeld fietsten de fietsers driemaal per week naar het werk. De gemiddelde fietsafstand was 17 kilometer per dag. De mannen reden met een snelheid van gemiddeld 19,7 km/u, de vrouwen fietsten 17,9 km/u.

Na een halfjaar hadden de fietsers 13 procent meer trapvermogen en konden ze bij inspanning 11 procent meer zuurstof opnemen dan de mensen in de controlegroep. Bloeddruk en cholesterolgehalten veranderden niet veel. Maar die waren al goed. Hendriksen berekende dat mensen die met de slechtste conditie begonnen relatief het hardst vooruitgingen en dat voor iedereen de vooruitgang dosisafhankelijk was: hoe meer kilometers des te meer conditiewinst.

Bij langere afstanden bereikte het effect overigens een bovengrens. Of, zoals Hendriksen het uitdrukt: er is sprake van afnemende meeropbrengst. Als in plaats van drie kilometer per dag zes kilometer werd gefietst, hadden die drie extra kilometers relatief een groter effect op het prestatievermogen dan de drie kilometer extra die iemand rijdt als hij achttien in plaats van vijftien kilometer fietst.

Al met al boekten de mensen met de slechtste beginwaarden relatief de grootste vooruitgang. Met slechts drie kilometer per dag wonnen de slechte beginners in een halfjaar al tien procent vermogen.

Hendriksen concludeerde: “Gewoon fietsen, als onderdeel van het normale dagelijkse leven, kan vrijwel eenzelfde verbetering van het fysieke prestatievermogen opleveren als specifieke trainingsprogramma's.” Wie fit wil zijn en daar in de vrije tijd aan werkt, kan dus tijdwinst boeken door op de fiets naar het werk te gaan.

En wat betekent het betere prestatievermogen van Hendriksens woon-werkfietsers voor hun toekomst? Wat hebben de woon-werkfietsers nu gewonnen? Hun winst ligt vermoedelijk in de preventieve sfeer. Hartziekten, suikerziekte en dikke darmkanker (belangrijke oorzaken van sterfte en langdurige ziekte in Nederland) zijn voor 10 tot 40 procent toe te schrijven aan de gevolgen van lichamelijke inactiviteit. Dat zeggen de gezondheidsambtenaren van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het rapport Volksgezondheid Toekomstverkenning 1997. Hartaanvallen worden bijvoorbeeld bij mannen voor 42 procent aan roken, voor 40 procent aan stilzitten, voor 13 procent aan ernstig overgewicht en voor 13 procent aan te veel eten van verzadigde vetten toegeschreven.

Bovendien leidt het bevorderen van regelmatige lichaamsbeweging tot andere voordelen, aldus dr. Willem van Mechelen die verbonden is aan het instituut voor extramuraal geneeskundig onderzoek van de Vrije Universiteit. In een recent commentaar in het British Journal of Sports Medicine schreef hij: “Het helpt bij het handhaven van het lichaamsgewicht, leidt tot een gezonder dieet en tot afname van het roken.” Het stimuleren van regelmatige lichaamsbeweging is volgens Van Mechelen de 'beste koop' voor de volksgezondheid. Iedere dag een halfuur matige inspanning. Dat is voldoende.

Slechts een kleine minderheid van de Nederlanders fietst naar het werk, ongeveer eenderde zit stil in hun vrije tijd en meer dan de helft sport niet. Wie zijn die stilzitters en hoe krijg je hen in het zadel?

De schrijvers van de Volksgezondheid Toekomstverkenningen weten dat vooral de Nederlanders met lage sociaal-economische status (SES) te weinig bewegen: “Er is aanzienlijke gezondheidswinst te behalen als de gezondheidsachterstand van verschillende sociaal-demografische groepen kan worden verkleind.”

Als personen met een lage SES noemen de onderzoekers: ouderen, arbeidsongeschikten, werklozen, alleenwonenden, ongehuwden, allochtonen en dak- en thuislozen. De oorzaken van de gezondheidsachterstand liggen deels in een verhoogde blootstelling aan risicofactoren (meer roken, minder consumptie van groente en fruit, minder lichamelijke activiteit in de vrije tijd, meer overmatig alcoholgebruik, hoge bloeddruk, te hoog cholesterol en overgewicht). “Tevens bestaat er bij deze personen meer psychosociale stress.” Woon- en werkomstandigheden zijn vaak ook minder, evenals de toegang tot zorg en preventie.

De lage-SES'ers zijn moeilijk op andere gedachten en tot bewegen te brengen. De schrijvers van de toekomstverkenningen geven in cryptische bewoordingen de gezondheidsvoorlichters de schuld: “In de gezondheidsvoorlichting gebeurt er te weinig aan invoering van reeds werkzaam gebleven interventies.”

Met andere woorden: we weten allang dat iedere dag een halfuur rustig bewegen voldoende is om gezondheidsrisico's door inactiviteit aanzienlijk te verminderen. Dat het dus de kans op een chronische ziekte of op te vroeg overlijden verlaagt. Maar als die boodschap wordt herhaald komt zij vooral terecht bij mensen die haar al kennen.